
De tempel van Jeruzalem is een plek van ontmoeting met God. Op een zekere dag is Jezus verontwaardigd over wat hij daar aantreft. Hoe zou hij reageren als hij naar de tempel van onze ziel kijkt, ons hart?
Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, en hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’’ De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor hem, omdat het hele volk in de ban was van zijn onderricht.
Jezus gaat de tempel binnen en begint iedereen die er iets koopt of verkoopt weg te jagen; hij gooit de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver. Waarom toch? Geld wisselen, duiven kopen of verkopen, daar is op zich toch niets mis mee. Het gaat Jezus om de plek waar dit alles zich afspeelt. “Mijn huis moet een huis van gebed zijn.” De tempel in zijn echte functie wil een plek van gebed en ontmoeting met God zijn, geen markthal.
Wat als we dit toepassen op de tempel van onze ziel? “Mijn hart moet een plek van gebed zijn.” Onze ziel moet een plek zijn van ontmoeting met God. Welke overbodige activiteiten vinden er plaats waardoor we onvoldoende ruimte in ons hart hebben om te bidden? Welke ballast moet uit ons hart verwijderd worden opdat we God echt kunnen ontmoeten?
“U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen.”
Als we oprecht in ons hart kijken, welke tafels, stoelen, duivenverkopers willen we er dan uitgooien? Jezus is bereid om ons daarbij te helpen.
Jezus gooit niet alleen de mensen uit de tempel, maar ook de dieren. Het zijn offerdieren. Jezus is verontwaardigd dat mensen Gods genade proberen af te kopen. Jezus wil niet dat mensen denken dat ze kunnen onderhandelen met God. “U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen.” (Ps 51,18) God verlangt naar ons hart.
Naar de tempel van onze ziel verlangt God; die tempel als plek van ontmoeting met Hem. “Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten.” (Ps 51,19) Dat gebroken en verbrijzeld hart, misschien is het een hart met brokstukken van onze eigen ‘schoonmaakactie’. Misschien zijn er nog restanten van wat Jezus, samen met ons, uit ons hart probeerde weg te jagen. Voor God is dat genoeg. Het is hem genoeg dat we ons hart, de tempel van onze ziel, aanbieden opdat hij alle ruimte krijgt.
Waar God alle ruimte krijgt om ons te ontmoeten
De tempel van Jeruzalem wil huis van gebed zijn, een plek van ontmoeting met God. De tempel van onze ziel wil ook een plek van gebed zijn, waar God alle ruimte krijgt om ons te ontmoeten. “Schept, o God, een zuiver hart in mij.” (Psalm 51,12)
Afbeelding Jezus veegt het tempelplein schoon, door El Greco.