Jolanda Jacobs moet bij het lezen van de tekst De Mensenzoon komt op het uur waarop je Hem niet verwacht (Matteüs 24, 44) denken aan die ene keer dat ze bij een stervende man werd geroepen tijdens haar werk als geestelijk verzorger in het ziekenhuis.
Mijn telefoon gaat. De verpleegkundige vertelt over een stervende man. Hij is erg onrustig. Zijn ex heeft het daar moeilijk mee. Of ik snel kan komen voor een ritueel. Ze zijn niet gelovig. Voordat ik naar de kliniek ga, pak ik wat van waarde kan zijn: een lichtje, etherische olie, een flesje water. Qua levensbeschouwing kan ik van alles verwachten. Eerst maar eens in contact komen, luisteren en zien.
In de kamer ligt een weerloze stoere man
Wanneer ik de kamer nader, tref ik mevrouw. Of ik haar geen ‘ex’ wil noemen in zijn bijzijn. De laatste jaren vergrootten zijn nare kanten zich zo dat ze niet meer met hem kon leven. Sinds de diagnose kortgeleden vermoedt ze dat dit zijn uitgezaaide kanker was. Ze wil dat hij rustig kan overgaan naar het licht. In de kamer ligt een weerloze stoere man. Ik leg mijn hand op zijn arm en stel me voor. Meneer lijkt in diepe slaap. Ondanks dat oogt hij gespannen.
Boven zijn bed hangt een buideltje. Mevrouw pakt het. Ze haalt er een beeldje van een engel uit. Uit haar tas pakt ze er nog twee. Een voor haar. Een voor haar zoon. Ze zet de engelen op het nachtkastje. Ik zet er mijn brandende lichtje bij en herhaal haar verlangen; dat hij rustig over mag gaan naar het licht. Ze vertelt over hun relatie, dat het niet altijd gemakkelijk was. We luisteren naar zijn liedje voor haar.
Ze eindigt met haar hand in zijn hand; ‘zo lagen we vroeger vaak.’
Mevrouw benoemt wat goed was; de liefde die er eigenlijk nog steeds is. Ik zeg dat we in de geneeskunst bepaalde wonden met olie insmeren om ze te genezen. Ik wrijf wat op zijn voorhoofd en spreek uit dat we hem vrede gunnen, verlossing uit de macht van angst en duisternis. Ook wrijf ik wat op zijn handen. Ik nodig haar uit deel te nemen. Ze spreekt woorden van vergeving en liefde. Ik zie haar tranen. Ze eindigt met haar hand in zijn hand; ‘zo lagen we vroeger vaak.’ Ik besprenkel hun handen met wat van het water en vraag om zegen over de liefde die sterker blijkt dan de dood en alles wat het leven afbreuk doet. We luisteren mevrouws liedje voor hem.
Ze streelt zijn hand. Zijn gezicht is uit de kramp, zijn handen ontspannen. Ik laat hen samen. Het lichtje laat ik branden bij de drie engelen. Ik vraag of mevrouw het flesje Lourdes-water wil. Ze reageert verheugd; ‘Lourdes-water?!’ Terwijl ik de kamer verlaat, besprenkelt ze zijn voorhoofd en handen en wrijft er zijn hartstreek mee in.
De Mensenzoon komt op het uur waarop je Hem niet verwacht (Matteüs 24, 44)
Foto door Viktor SOLOMONIK via Unsplash