Willy Dupont laat de oproep van Etty Hillesum herleven om een nieuwe wereld te bouwen. In zijn essay met de ondertitel God bestaat niet maar hij is er wel, vernieuwt hij de roep om het idee van een almachtige God los te laten en de God die ‘er is’ innerlijk te leren kennen.
Door Ria van de Brandt
Met zijn essay “Na Etty Hillesum” doet Willy Dupont op fijnzinnige wijze recht aan de nagelaten geschriften van Etty Hillesum (1914-1943). Hillesum was een Nederlandse Joodse vrouw die tijdens de Tweede Wereldoorlog indringende dagboeken en brieven schreef over haar persoonlijke ontwikkeling, spiritualiteit en de Jodenvervolging. Ondanks de toenemende naziterreur weigerde ze onder te duiken en koos ze ervoor het lot van haar volk te delen, wat leidde tot haar dood in Auschwitz. benadering van het godsverhaal van de Joodse dagboekschrijfster is opgezet vanuit een grote vertrouwdheid met zowel de teksten van Hillesum als ook de (wetenschappelijke) literatuur daarover.
In deze nieuwe wereld is er volgens Dupont geen almachtige God in de hoge, geen concept van God, geen godsidee of godsbeeld
In zijn stapsgewijze benadering, blijft Dupont enerzijds dicht bij Etty Hillesums godsverhaal, en neemt hij anderzijds de vrijheid om haar ervaringsverhaal op eigen wijze te lezen en verder door te trekken in onze eigen tijd. Hillesum heeft volgens hem in de schaduw van de geschiedenis enkele aanzetten gegeven waarmee wij in onze tijd een nieuw verhaal kunnen schrijven dat kans van slagen heeft. Een aanzet tot een nieuwe wereld. En in deze nieuwe wereld is er volgens hem geen almachtige God in de hoge, geen concept van God, geen godsidee of godsbeeld. We zouden eigenlijk opnieuw moeten beginnen, stelt Dupont voor, geïnspireerd door Hillesums godsverhaal.
Want wie of wat is God volgens Etty Hillesum? Volgens Dupont – en dit typeert zijn aanpak – geeft zij op deze vraag geen direct antwoord, maar laat ze wel in haar kaarten kijken wanneer ze het heeft over “iets van God”, een God die inwoont in onze concrete ervaringen of de allerdiepste realiteit daarvan is. Ook wij zouden God geen namen moeten geven, zegt Dupont, want een benaming is altijd gestamel en kan ons nodeloos scheiden van elkaar in plaats van verbinden.
Hillesum verbond haar godservaring niet met die van een almachtige, maar van een kwetsbare God
Volgens hem gaat het om een niet te benoemen Mysterie, dat Etty Hillesum 341 keren wel ‘God’ noemde, maar altijd in het besef dat die naam slechts een hulpinstrument was; ze had die naam niet nodig. Zelf verbond zij haar godservaring niet met die van een almachtige, maar van een kwetsbare God. Het was aan de mensen – bij wie deze kwetsbare God inwoonde – om deze te redden en naar een nieuwe wereld te brengen. “En dit is ook het enige”, schrijft Etty Hillesum, “wat we in deze tijd kunnen redden en ook het enige waar het op aankomt: een stukje van jou in onszelf, God”.
Volgens Dupont zijn er in de geschiedenis van het christendom (ondanks alle goede gebeurtenissen) te veel verkeerde afslagen genomen. Over de Bijbel, inclusief het joodse Eerste Testament, is de christelijke Kerk schaamteloos de baas gaan spelen. En deze Bijbel wordt volgens hem nog altijd als Gods beslissende en normatieve Woord beschouwd. Of op zijn minst als de ultieme bron om Gods wil te kennen en het liefst vastgelegd zoals de Kerk die interpreteert. En zo kreeg de zogenaamde ‘ware leer’ en ‘ware kennis’ de overhand, het instrument bij uitstek van elke gecentraliseerde machtsstructuur. Volgens Dupont ‘bestaat’ de God van de Bijbel niet (lees: de ene en enige, transcendent en almachtig, geopenbaard in oude patriarchale structuren). De God van Etty daarentegen ‘is er’.
We hebben veel te lang naar boven gestaard, schrijft Dupont. De diepste realiteit ligt al oer-lang buiten het bereik van woorden, je ziet alleen af en toe wat vonken oplichten. Het godsverhaal van Etty Hillesum brengt iets daarvan nabij. Het boek van Dupont doet dat ook, omdat hij in zijn verhaal dicht bij de oorspronkelijke teksten van Etty Hillesum blijft.
Het gaat Hillesum helemaal niet om de godsnaam, aldus Dupont. Het gaat ook niet om de godservaring als zalig eindstation, maar om een doorgang naar anderen. De diepte-ervaring is voor elk mens ook een weg om tot innerlijke vrede te komen. Het werken aan zichzelf is geen ziekelijk individualisme, maar een noodzakelijke voorwaarde voor een betere, nieuwe wereld van verbondenheid en verantwoordelijkheid. Vrede kan volgens Hillesum alleen een echte vrede worden wanneer elk individu eerst in vrede in zichzelf sticht. Dupont pakt deze pacifistische lijn van gerechtigheid – haar appèl voor wereldvrede door een weg van inkeer – zeer expliciet op en plaatst daarmee haar godsverhaal en vredesgeloof in een inspirerend licht.
We zouden dan ons gemeenschappelijke allerdiepste kunnen benoemen als de hoeksteen voor de nieuwe wereld
Dupont actualiseert Hillesums oproep onder meer door de suggestie dat de ervaring van het Mysterie zich in de diepte-ervaring van elke mens kan manifesteren. Daarbij zouden we dan ons gemeenschappelijke allerdiepste kunnen benoemen als de hoeksteen voor de nieuwe wereld, die we dringend nodig hebben.
De auteur heeft dan ook geen verborgen agenda om een verduisterde God langs de achterdeur weer binnen te smokkelen. Hij heeft wel een duidelijk engagement: laten zien dat Hillesums existentiële waarheid over onze werkelijkheid een wezenlijke bijdrage kan leveren aan een nieuw tijdperk.
De onderliggende drijfveer van de auteur is het werk van Hillesum in de huidige wereld voort te zetten. Het resultaat is een aantrekkelijk en behartigenswaardig essay, waarin Hillesums roep niet wordt vervormd maar via Dupont opnieuw tot spreken komt: laten we voor een nieuwe wereld zorgen!
Voor ieder die geïnteresseerd is in het (Joodse) godsverhaal van Etty Hillesum en de mogelijke actualiteit ervan een aanbevolen boek.