Belangengroepen vechten om de schaarse aandacht van het publiek en stellen zich daarom steeds luider voor als slachtoffer, op zoek naar een schuldige. Die slachtoffercultuur vertroebelt volgens Guido Dierickx sj ons zicht op het ware onrecht en speelt politieke extremisten in de kaart.
Wij zijn burgers van een politieke democratie en zo nu en dan wordt een beroep op ons gedaan, bijvoorbeeld om te gaan stemmen en om belasting te betalen. Maar wij zijn ook allen leden van “het publiek” en op ons wordt voortdurend een beroep gedaan door tal van groepen die belangen te verdedigen hebben en die nood hebben aan onze aandacht. Als zij die aandacht eenmaal hebben gewekt, mogen zij wellicht van ons, van de publieke opinie, steun verwachten. Bij wie anders dan het publiek zouden zij hun beklag kunnen doen over de dreigende bomenkap in het park? Want bij het gemeentebestuur krijgen zij geen gehoor. Bij wie kunnen ze protest aantekenen tegen besparingen door de overheid? Het publiek krijgt dan de rol toebedeeld van een hof van beroep. Maar er is een probleem: de aandacht van het publiek is een schaars goed en er wordt om gestreden door vele groepen.
Het komt er dus op aan om te midden van dat rumoer de eigen stem luider te doen klinken dan die van anderen en om zo dan toch gehoor te vinden bij de beleidsvormers
Hoe kan een “belangengroep” de aandacht van het publiek wekken? Door boodschappen uit te sturen, zo mogelijk door opinieartikels in de krant, zo nodig met straatrellen in de grote steden. Maar dat doen andere belangengroepen ook. In onze complexe samenleving merken wij immers een vermenigvuldiging van het aantal belangengroepen die alle hun stem willen verheffen in het publieke forum. Het komt er dus op aan om te midden van dat rumoer de eigen stem luider te doen klinken dan die van anderen en om zo dan toch gehoor te vinden bij de beleidsvormers.
Daarvoor hebben de belangengroepen in onze samenleving een dubbele tactiek ontwikkeld. Vooreerst moeten zij kunnen aantonen dat zij recht hebben op de aandacht van het publiek. De competitie om die aandacht is hard en wordt steeds harder. Daarom pogen zij zich voor te stellen als de slachtoffers van een onduldbaar onrecht. In het nieuws op onze TV komen er iedere avond dergelijke slachtoffers aan het woord. De boeren vrezen voor hun oogst, de leraars voor hun beroep, ouders van schoolgaande kinderen voor het gebrek aan publiek vervoer enzovoort. Vooral wanneer de begroting van de overheid wordt opgemaakt en besparingen zich opdringen, blijken er veel slachtoffers te zijn. Hun klachten kunnen terecht zijn, dat hoeft geen betoog. Het probleem is dat hun klachten elkaar verdringen.
De competitie tussen al die slachtoffers verleidt de belangengroepen tot een dramatisering van hun slachtofferschap. Niet alle slachtoffers kunnen hun klachten even sterk beklemtonen als die van de holocaust of die van de kolonisatie. Maar ze zullen die zo sterk mogelijk in de verf zetten. Maar weldra rijst de vraag wanneer het slachtofferschap al te zeer geëxploiteerd wordt. Ja, de inheemse Amerikanen in de VS mogen zich nog altijd presenteren als slachtoffers van de landroof in vroegere eeuwen. Maar mogen de Vlamingen van heden zich nog altijd voorstellen als de slachtoffers van de Franstalige bourgeoisie van weleer? De herinnering aan dergelijk slachtofferschap, en het ressentiment dat ermee samengaat, kan lang voortwoekeren. Met vaak nefaste gevolgen voor de samenleving. Nee, de vrede in Noord-Ierland is nog steeds niet hersteld.
Na het zichzelf voorstellen als slachtoffer volgt dikwijls het zoeken naar daders, naar schuldigen. Dit is een tweede luik van de slachtoffercultuur. Toevallige, natuurlijke oorzaken voldeden niet aan deze zoektocht in vroegere eeuwen en voldoen ook thans nog niet. In vroegere eeuwen placht men de uitbraak van epidemieën toe te schrijven aan boosaardige individuen, aan heksen b.v. En ook heden gaat men graag op zoek naar “daders” en graag naar daders die deel uitmaken van een complot van daders: een beeldvorming die niet enkel voorkomt in succesromans zoals de “Da Vinci Code”. Toen er onlangs in ons deel van de wereld grote bosbranden oplaaiden, ging men meteen op zoek naar individuen die achteloos een sigarettenpeukje zouden weggegooid hebben. Of liever nog naar terroristen met boosaardige bedoelingen.
In onze geloofsgemeenschap klinken oproepen om oog te krijgen voor het ware onrecht dat mensen ondergaan en om niet al te gauw anderen met een beschuldigende vinger te wijzen
Er is in onze samenleving een groot risico verbonden aan de competitie om de aandacht van het publiek. Vele leden van het publiek krijgen niet de tijd om zich een verantwoord oordeel te vormen over het onrecht waarvan mensen het slachtoffer zijn en over de oorzaken waaraan dat kan worden geweten. In een tijdperk dat vele mogelijkheden biedt voor “fake news” is het bovendien moeilijk om de waarheid te onderscheiden van de propaganda.
Kan onze geloofsgemeenschap een plek bieden waar stemmen klinken die ingaan tegen de slachtoffercultuur waarmee politieke extremisten hun voordeel doen? Dat zou men mogen hopen. Ja, in onze geloofsgemeenschap klinken oproepen om oog te krijgen voor het ware onrecht dat mensen ondergaan en om niet al te gauw anderen met een beschuldigende vinger te wijzen. Maar klinken die luid genoeg om de verblindende impact van de slachtoffercultuur onder controle te houden?
Foto door Mahmut Yıldız via Unsplash