De Nederlandse jezuïet Arij Roest Crollius overleed vorig jaar. Een van zijn levensthema’s was zijn contact met moslims en de islam. Hij probeerde daar diep in door te dringen. “Het is een hevige storm van liefde.” Zijn medebroeder Jan Bronsveld beschrijft zijn leven.
Ik heb Arij voor het eerst kort ontmoet in 1958. Ik zat toen in het tweede jaar van mijn noviciaat en Arij vertrok vanuit het noviciaat in Mariëndaal onder klokgelui met drie andere Nederlandse jezuïeten naar Libanon: Piet (later Peter-Hans) Kolvenbach, Theo Vlugt en Ad Merks. De Sociëteit in Rome had de Nederlandse jezuïetenprovincie gevraagd om hulp voor de vice-provincie van het Nabije Oosten en zo zijn er gedurende de periode 1958-1967 35 Nederlandse jezuïeten naar het Nabije Oosten gegaan, onder wie ook ikzelf.
Toen Arij in Libanon aankwam, werd hij meteen aan het werk gezet: surveillant op het college net buiten Beiroet. Maar de toenmalige provinciaal van Nederland liet zijn collega in het Nabije Oosten weten dat hij geen Nederlandse jezuïeten meer zou sturen als ze niet eerst de gelegenheid kregen om Arabisch te leren. Zodoende heeft Arij, na zijn periode op het college, drie jaar in Bikfaya (Libanon) Arabisch gestudeerd.
Van de veertig jaar in Rome, was hij de helft van de tijd op reis
Na Bikfaya vinden we Arij terug in Caïro, in de communauteit die de naam droeg “Résidence orientale”, de communauteit van de meer geïncultureerde oosterse paters. Arij heeft daar gedurende drie jaar zijn kennis van het Arabisch verdiept. Hij studeerde er ook op de universiteit van Caïro (o.a. filosofie van de Islam, cultuurfilosofie en de mystieke stroming binnen de Islam), en gaf les op het koptisch katholieke seminarie.
In 1964 werd Arij – ook op eigen verzoek – naar Rome gezonden om daar theologie te studeren.
De Rome-periode van Arij bleek veertig jaar te duren. Hij promoveerde er in de theologie en ging college geven aan de faculteit missiologie van de Gregoriana, de universiteit van de jezuïetenorde. Over deze tijd zegt hij zelf, dat hij van de veertig jaar er maar twintig in Rome heeft doorgebracht en dat de andere twintig jaar gevuld waren met reizen naar een groot aantal landen.
In zijn eigen terugblik “A Pilgrimage amongst the Treasures of Islamic Traditions”, vertelt hij dat hij drie wijzen van contact met moslims heeft ontdekt: de officiële christen-moslim dialoog, het onderwijs en onderzoek in de geschiedenis en cultuur van de Islam en wat hij noemt de «innerlijke reis» naar de diepste betekenis van de Islam, dieper dan regels, riten en dogmatische definities.
Wat de officiële dialoog betreft: hij was consultor van het Vaticaanse Secretariaat voor de niet-christelijke godsdiensten. Daarnaast waren er ontmoetingen en uitwisselingen georganiseerd door academische instituties waar Arij bij betrokken was. Bovendien reisde hij veel de wereld rond en besteedde daarin veel tijd aan dialoog met moslims.
Het onderwijs over de islamitische geschiedenis en cultuur was een belangrijke activiteit, vooral in Rome aan de Gregoriana. Tegen die achtergrond vroeg de generale overste van de jezuïeten, pater Pedro Arrupe, hem formeel als raadsman inzake vraagstukken rond de islam. Om deze functie uit te oefenen, stelde pater Arrupe voor dat Arij zes maanden per jaar niet in Rome zou zijn, maar deze tijd zou gebruiken om rond te kijken in de wereld en te ervaren wat er buiten Rome gebeurde. Zo kreeg Arij de gelegenheid om ook op andere plaatsen gastcolleges te geven en bezoeken af te leggen in Afrika, Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Europa, voor een ontmoeting van een paar dagen of een conferentie.
Ook op twee andere academische terreinen was Arij actief: inculturatie en Joodse studies. Hij was de secretaris van de commissie die voor de 32ste Algemene Vergadering van de Sociëteit de taak had een decreet over het interculturele aspect van de activiteiten voor te bereiden. Arij introduceerde hier de term “inculturatie”. Dit werd een belangrijk thema van zijn cursussen, artikelen en conferenties. Daarnaast werd hij ook gevraagd om een centrum voor Joodse Studies te starten aan de Gregoriana. Dit werd het Kardinaal Bea Centrum en leidde tot een uitwisselingsprogramma met de Hebreeuwse Universiteit van Jerusalem.
Het is een hevige storm van liefde waarin God zo dicht bij de mens komt en de mens zo dicht bij God, dat de mens opnieuw geboren wordt tot de volheid van zijn
De derde vorm van contact met de Islam is de innerlijke reis naar de diepste betekenis van de Islam: de innerlijke ervaring van liefde. In zijn eigen terugblik beschrijft Arij wat hij geleerd heeft van enkele islamitische mystici. Ik laat hem hier zelf aan het woord: “Ik ben ervan overtuigd dat hoe dieper men binnentreedt in zijn eigen spirituele en religieuze ervaring, hoe meer men de storm van de Geest ontdekt die er de oorsprong van is. Het is een hevige storm van liefde waarin God zo dicht bij de mens komt en de mens zo dicht bij God, dat de mens opnieuw geboren wordt tot de volheid van zijn, waarin Liefde de ware raison d’être is”.
Als Arij in 2005 terugtreedt als hoogleraar aan de Gregoriana, vertrekt hij naar de Ivoorkust, waar hij zes jaar lang professor in de dogmatische theologie is geweest. Na nog een jaar in de communauteit in Ankara, keerde hij terug naar Libanon, eerst in ons retraitehuis in Tanaïl, waar hij retraitanten begeleidde, en uiteindelijk terug in Beiroet, waar hij het afgelopen jaar is overleden.