
Moet er iets veranderen aan de positie van de vrouw in de kerk? Ignis onderzoekt die vraag, met als derde bijdrage die van Ilse van Gorp. De mannelijke gevangenen beschouwen het als ‘gewoon’ dat zij de R.K. Kerk vertegenwoordigt en voorgaat in gebedsdiensten. De Kerk heeft daar meer moeite mee, wat strijd en verdriet met zich meebrengt, maar ook creativiteit en vindingrijkheid.
‘Mevrouw de aalmoezenier’, ‘aalmoezenieres’, ‘aalmoezenierin’, zoveel aanspreektitels die ik in mijn huidige aanstelling als vrouw in de kerk toebedeeld krijg.
Toegegeven, het is vooral de oudere mannelijke bevolking in de gevangenis van Brugge die hier soms mee worstelt. En meestal gaat het dan enkel over de aanspreking. Dat ik als vrouw in die functie sta, een vertrouwensfiguur ben, er beroep kan gedaan worden op mijn dienstbaarheid en ik voorga in gebedsdiensten, is voor hen ‘gewoon’. Ze spreken me aan met mijn voornaam en zien me als vertegenwoordiger van de Rooms-Katholieke Kerk (naast vertegenwoordigers van de andere erkende levensbeschouwingen en godsdiensten). En vooral dit laatste, was voor mezelf wennen…
Ja, met die Rooms-katholieke Kerk heb ik geworsteld en in de clinch gelegen (en helemaal over gaat het nooit)
Ja, met die Rooms-katholieke Kerk heb ik geworsteld en in de clinch gelegen (en helemaal over gaat het nooit). Sommige van haar vertegenwoordigers en vooral haar dogma’s, regels en wetten, hebben me regelmatig ook echt verdriet gedaan.
Toen ik na mijn master godsdienstwetenschappen lesgeven wilde combineren met een pastorale zending in de kerk, werd me gevraagd nog een opleiding in ‘het bisdom’ (Antwerpen) te volgen. Toegegeven, het was niet met veel enthousiasme dat ik daaraan startte. Dat vooroordelen koesteren niet wijs is, leerde ik daar al. Ik ontmoette open en bevrijd(end)e priesters die ons als leken, zowel vrouwen als mannen, aanmoedigden onze plek in te nemen. De toenmalige bisschop sprak mij over kritische loyauteit en de plaats van het eigen geweten. De priester- deken van mijn parochie gaf me alle ruimte om te experimenteren met jongerenliturgie. En toen hij plots door ziekte niet kon voorgaan in de eucharistieviering in het woon-en zorgcentrum, vroeg hij me in zijn plaats een communiedienst te doen. Het voelde grappig én een beetje pijnlijk toen één van de mensen op leeftijd nadien zei: ‘Juffrouwtje, je hebt schoon de mis gedaan’. Op dat moment zocht ik naar een dieper antwoord op mijn roeping en dacht ik dat priesterschap dit misschien wel zou kunnen zijn. Omdat deze mogelijkheid toen en ook nu nog altijd onbespreekbaar is, eindigde mijn zoektocht dan bij een religieuze orde.
In de korte tijd die ik als ingroeiende zuster in een kloostergemeenschap doorbracht, leerde ik heel wat sterke, gelovige vrouwen kennen. Ze zorgden voor alles zelf: van de praktische taken in het gastenkwartier, over de boekhouding en financiën en de leiding van de gemeenschap. Het voelde soms bevreemdend dat voor de spirituele leiding en de liturgie opeens externe mannen moesten ingeschakeld worden.
De rode draad in mijn verschillende aanstellingen nadien was luisteren naar noden van mensen en hierop met mijn gaven en talenten zo goed mogelijk antwoorden
Zo staat de viering van Witte Donderdag mij opeens levendig voor de geest. Eerst was er een ‘intern’ ritueel van de gemeenschap. De abdis waste de voeten van de medezusters en daarna werd aan tafel brood gebroken en samen gegeten. Leven en gelovig vieren werd verbonden. Meer evangelisch kon het voor mij niet zijn. En toch volgde nadien de ‘echte’ viering van Witte Donderdag met een priester als voorganger. Ik weet dat het liturgisch/theologisch ketterij is maar ik ervaarde het ene ritueel minstens even veel als sacrament dan het andere. Vrij snel ontdekte ik dat de klemtoon op een contemplatief leven niet het juiste antwoord op mijn roeping was.
In het onderwijs, in het werk als pastor in verslaafdenzorg, als stafmedewerker in het bisdom… de rode draad in mijn verschillende aanstellingen nadien was luisteren naar noden van mensen en hierop met mijn gaven en talenten zo goed mogelijk antwoorden, kritisch loyaal aan de traditie en de leer van de kerk. Het was vaak een spanningsveld en soms zelfs een mijnenveld. Ik ging deze confrontatie echter nooit uit de weg. Geen ziekenzalving voor pastores in de gezondheidszorg? Dan creatief zijn met ziekenzegeningen. Geen specifieke opleiding tot zorgpastor mogelijk? Dan zoeken naar aanpassingen binnen het bestaand curriculum zodat tenminste een aantal essentiële specifieke thema’s aan bod konden komen. Soms durf ik te denken dat net het botsen op hindernissen en muren creativiteit en vindingrijkheid stimuleert. En af en toe vrij en vrank reageren, is me ook nooit echt aangerekend. Zoals mijn spontane reactie bij een uitspraak van een bisschop dat hij voor een functie een diaken zocht, hij dan wel meteen mij, en met mij de vrouwelijke helft van de kerkgemeenschap uitsloot.
‘Mijn mannen’ geven mij een plaats in een kerk die naar de periferie gaat, naar diegenen die de weg verloren of hem nog nooit vonden
En zo beland ik weer waar ik begon… in de gevangenis. Daar ben ik momenteel met trots en dankbaarheid aalmoezenier van langgestrafte mannen. Zij maken mij tot ‘hun’ aalmoezenier, vertegenwoordiger van de R.K. kerk. Zij leren mij echt luisteren, oprecht genieten van kleine dingen zoals frisse buitenlucht en eigen keuzes kunnen maken. Zij leren me dieper kijken en niet te oordelen. Zij creëren mee ‘onze’ rituelen, zoals het ‘God zegene en beware je’, met het bijhorend kruisje op ieders voorhoofd aan het einde van de viering van een vast, klein groepje. En organisch groeide dat één van hen mij op dezelfde manier zegent. ‘Mijn mannen’ geven mij een plaats in een kerk die naar de periferie gaat, naar diegenen die de weg verloren of hem nog nooit vonden. Zij leren mij ook dat de band met vaders en moeders, broers en zussen, heel sterk is, zelfs als ze in de clinch liggen met elkaar en elkaar het leven moeilijk maken. Zij doen me ervaren hoezeer ik als vrouw, als de persoon die ik (geworden) ben, mee mag bouwen aan die droom van Gods Rijk, in en vanuit een kerkgemeenschap die hiertoe geroepen is.