Arne Roggemans werkte bijna een jaar als aalmoezenier in de gevangenis in België. Zijn geloof was echter niet opgewassen tegen de genadeloosheid van het systeem. “Omdat ik heb “gefaald” door mijn ongeloof, werk ik er niet meer… “
Er waren mooie aspecten aan mijn korte loopbaan als gevangenisaalmoezenier van september 2024 tot juni 2025. Bijvoorbeeld het respect van de gedetineerden. Als ik een cel bezocht, werd ik telkens heel gastvrij onthaald. Ik werd niet gezien als een boeman van het gevangeniswezen, maar als iemand die het goed met hen voor had. Een ander mooi aspect was de vrijheid binnen het detentiesysteem. Ik kon vrij rondlopen en op cel gaan. Bij andere personeelsleden was de bewegingsvrijheid veel beperkter. Ik had verrijkende ontmoetingen met mensen en kon voor hen ontzettend veel betekenen, louter en alleen door vriendelijk te zijn en hen pastoraal te ondersteunen.
Naast die positieve aspecten waren er ook negatieve die geleidelijk aan de overhand zouden nemen. Zo was er de bruutheid van het systeem. Een gevangenis is uiteindelijk een totalitaire microstaat waar controledrang het dagelijkse leven bepaalt. Een tweede aspect was de communicatie met de bewaking. Uniformen zijn, wie de persoon in het uniform ook is, intimiderend. Ik gaf de bewaking meer werk. Elke dag ongewenste verzoeken van gedetineerden communiceren tegen iemand in uniform vereist veel energie en wilskracht die een mens niet dagelijks kan opbrengen. Een derde aspect was de manipulatie door gedetineerden. Relaties opbouwen met gedetineerden, maar uiteindelijk gebruikt worden om iets te krijgen, is confronterend. Die negatieve aspecten zijn niet tegen personen gericht, het is eerder dat ze worden uitgelokt door het gevangenissysteem.
Ik voelde mijn geloof als zand door mijn vingers wegglippen
Volgens mijn beroepsethos als aalmoezenier zou ik me niet moeten laten beïnvloeden door deze negativiteit in de gevangenis. Want een aalmoezenier biedt een vrijplaats voor de gedetineerde, een plek waar hij iemand “normaal” kan ontmoeten en spreken. Maar dat was mij niet gelukt, ik werd meegesleurd in cynisme en destructieve emoties. Ik werd gekwetst en ik werd boos. Tegen het einde van mijn pastorale opdracht deed ik louter nog technische en administratieve zaken. De concrete ontmoetingen, de essentie van het beroep, gingen niet meer. Ik was de vrijplaats kwijt, ik had er geen kracht meer voor.
Met mijn naïeve religiositeit hoopte en geloofde ik nog dat goddelijke genade mij zou helpen deze belemmering te overstijgen. Want wie gelooft, kan toch bergen verzetten? Dat wil zeggen: wie gelooft, kan zijn eigen beperktheden verzetten, de berg van het menselijke tekort. Maar ik kreeg geen geloof, ik kreeg niet die genade. Ik kwam vast te zitten in de negativiteit van het detentiesysteem en voelde mijn geloof als zand door mijn vingers wegglippen.
Kort gezegd: het lukte me niet om mijn naaste als Christus te zien in de gevangenis (Mattheüs 25:35-40). Ik keek alleen met walging naar heel het dehumaniserend systeem. En soms, alle schande ten spijt, ook naar personen die erin fungeren. Eerst was ik emotioneel, maar tegen het einde werd ik onverschillig en voelde ik niets meer. Het lijden van een gedetineerde kwam niet meer tot mijn hart. Een mens zonder genade wordt een zombie, een banaliteit die zijn gang gaat zonder richting of doel. Feitelijk was dat het moment dat de vrijplaats die ik normaal moest bieden volledig weg was. Vanaf toen was ik volledig opgeslokt door het gevangeniswezen. “Loop door” riep ik eens droog naar een gedetineerde. Toen wist ik dat ik zelf deel van het systeem was geworden: cynisch en onverschillig. Want ik riep naar een mens waarmee Christus zich identificeert. Het werd me allemaal banaal. Pastoraal een ramp, maar – ironisch gezien – een succes, want ik had me volledig aangepast aan de omgeving en maakte nu deel uit van het systeem.
Ik werd in het ongeloof geworpen, ik had er niet voor gekozen, het overviel me gewoon.
Het gebrek aan genade om die banaliteit te overstijgen, het besef dat ik godverlaten was en als aalmoezenier niets meer te bieden had, deed me concluderen de opdracht te verlaten. Deze was de facto uitgehold. Ik sloeg de kreet die Jezus sloeg: “mijn God, mijn God, waarom heb je me verlaten?” Mijn God, waarom draag je me niet meer? Waarom mag ik geen instrument meer zijn van uw heilswerk? Ik werd in het ongeloof geworpen, ik had er niet voor gekozen, het overviel me gewoon.
Ik ben geen heilige, want ik verzink in cynisme, banaliteit en laat me meesleuren in het systeem in plaats van het systeem te overstijgen en in barmhartigheid een vrijplaats te bieden. Paradoxaal genoeg was die confrontatie ook een verlossing: ik ben niet heilig, ik mag gewoon mezelf zijn, onwaardig en zinloos, maar toch gered, vanwege mijn geloof in Christus.
Nog steeds huiver ik als ik aan het detentiesysteem terugdenk
Ik werk er nu niet meer, maar ik ben fundamenteel beïnvloed door deze maanden in de gevangenis. De mooie en rijke momenten van ontmoetingen zal ik nooit vergeten, maar nog steeds huiver ik als ik aan het detentiesysteem terugdenk.
Wat me theologisch-normatief dichter bij God moest brengen – “ik was gevangen en jij hebt me bezocht”, gaf me meer afstand tot God. Die afstand was ongeloof en vanuit dat ongeloof voelde ik onvolmaaktheid. Die onvolmaaktheid deed me tot slot weer naar het geloof verlangen. En uiteindelijk, toen ik niet meer in de gevangenis werkte en door de geloofscrisis heen was, kreeg ik het geloof in een nieuwe eerlijkere vorm terug. Ik kijk dankbaar terug naar heel de ervaring.
Foto door Ye Jinghan via Unsplash