Michaël Merrigan voelt zich zoals zovelen wat moedeloos wanneer hij de laatste tijd het nieuws volgt. Na een lunch met een vriend, uitgerekend aan het einde van de wereld, vindt hij toch een sprankje hoop.
Enkele dagen geleden lunchte ik met een vriend in de taverne van hotel Espérance in het centrum van Brussel. Het is een art-decopareltje in de rue du Finistère, een straat die haar naam ontleent aan Kaap Finisterre in Galicië. Veel pelgrims lopen na het bereiken van Santiago de Compostella nog even door naar dit plaatsje aan de Spaanse kust waar het Europese continent schijnbaar verdwijnt in de eindeloze oceaan. L’espérance in finis terrae, hoop aan het einde van de bekende wereld. De metaforen schrijven zichzelf.
Maar het is vooral één moment in ons gesprek dat de voorbije dagen is blijven nazinderen. Het gaat niet goed met de wereld, daar waren mijn gesprekspartner en ik het, terwijl we nog op ons eten wachtten, al meteen over eens. En tegelijk voltrekken zich miljoenen – wat zeg ik – miljarden heldenepossen. Ik bedoel daarmee in dit geval niet de echte heldenverhalen, die er ook zijn. Nee, ik heb het over de virtuele. Waar mijn vriend en ik ons die middag zorgen over maakten, was namelijk de hardnekkige reflex die wij tot op zekere hoogte allemaal hebben, maar sommigen wat meer dan anderen, om onszelf al te snel als hoofdpersonage te zien.
Bij sommigen lijkt het besef volledig afwezig dat zijzelf of hun naasten in geval van oorlog wel degelijk zouden kunnen worden opgeroepen. En dat ze dan in de eerste minuut aan het front zouden kunnen sneuvelen.
Die reflex was ons blijkbaar beiden de afgelopen weken opgevallen, met name wanneer het gaat over de nieuwe oorlogsdreiging uit het oosten. Al maanden waarschuwen legerleiders en politici dat een oorlog tussen Rusland en een EU- of NAVO-land niet langer ondenkbaar is. Europa moet zich minstens op die mogelijkheid voorbereiden. Een nieuwe wapenopbouw is volop bezig – tragisch genoeg zowel het gevolg van als het antwoord op een verbijsterend gebrek aan daadkracht om Oekraïne daadwerkelijk te helpen en een standvastig signaal te sturen richting Rusland.
Een nóg grotere oorlog met Rusland, en het gevaar op aanverwante conflicten: het is om van te beven. En toch lijken mensen – beleidsmakers én burgers – hier in het Westen verrassend weinig rekening te houden met wat dat concreet voor henzelf zou kunnen betekenen. Oorlogsretoriek is goedkoop, zeker wanneer de frontlinie veraf lijkt. Bij sommigen lijkt het besef volledig afwezig dat zijzelf of hun naasten in geval van oorlog wel degelijk zouden kunnen worden opgeroepen. En dat ze dan in de eerste minuut aan het front zouden kunnen sneuvelen.
Dat gebrek aan realistische inschatting is een van de gevolgen van wat men wel eens het ‘hoofdpersoonsyndroom’ noemt (in het Engels: ‘main character syndrome’). Dat syndroom is au fond iets diepmenselijks. De kijker van de horrorfilm herkent het meteen: die is er vaak van overtuigd in soortgelijke omstandigheden niet al in minuut drie dood te worden teruggevonden. Of ooit de onbekende figurant te zullen zijn die in een actiefilm bij de eerste achtervolging wordt opgeblazen. In onze verbeelding krijgen we bij oorlog en rampspoed liever een andere rol: die van de ontsnappende, de overlever. De figuur die na de apocalyps dapper door een verlaten wereld trekt, zoals Will Smith in I Am Legend of Ellie in The Last of Us.
Wat we nodig hebben, is een begaanbare weg richting hoop in een wereld getekend door pessimisme
Tegelijkertijd staat dat gevoel van ongerechtvaardigd optimisme in schril contrast met de machteloosheid die ook zowat iedereen die ik vandaag de dag spreek, ervaart: alles lijkt mis te lopen, maar niemand weet waar te beginnen om er zelf nog iets aan te doen. Er is onmiskenbaar een gevoel van onmacht, zelfs ontreddering. Nee, het zijn, alle ontsnappingsfantasieën ten spijt, geen tijden voor optimisme.
Wat we nodig hebben, is een begaanbare weg richting hoop in een wereld getekend door pessimisme. Een manier om onszelf niet te zien als hoofdpersonage aan wie een goed einde gegarandeerd is, zonder daarmee tegelijkertijd te berusten in een rol als passieve figurant in andermans B-film.
Als het christendom ons iets leert, dan is het misschien toch wel net dat. Vooreerst staat sowieso al niet de mens centraal, maar God. Maar daar stopt het niet. Al bij Jesaja vinden we immers de persoonlijke aanspreking van God: ‘Wees niet bevreesd, want Ik ben met u; Ik ben uw God’ (Jesaja 41:10, hier in de prachtige versie van Maison Sainte Thérèse).
En daarop volgt wel degelijk een oproep tot actie, waarvan de Bergrede in deze tijden meer dan ooit haar relevantie bewijst. Zoals Joseph Ratzinger, de latere Benedictus XVI, schreef (p. 76), is deze bij uitstek een ‘toespraak vol hoop’ waarin ‘in verbondenheid met Jezus het onmogelijke mogelijk wordt’. In de aanvaarding van onze beperkte rol in dit leven, waarin wij niet centraal staan maar wel persoonlijk worden aangesproken, is het christendom een radicale oproep tot actie (Mt. 5:48).
Wanneer we daaraan gehoor geven, zo bedenk ik me, geraken we misschien toch nog voorbij het onderscheid tussen hoofdpersonage en figurant. En kunnen we een glimp van hoop zien aan de rand van het grote onbekende.
Foto door Vasilis Karkalas