Nog vóór het eerste licht de horizon raakt, verlaat Jezus het rumoer van de stad. Hij glipt de stilte in en zoekt naar een eenzame plek om te bidden.
Hij is vermoeid van de menigte en van al die verlangens die aan Hem trekken. Hij zakt op zijn knieën en een zucht ontsnapt Hem. Hij heft zijn blik naar de hemel — dor, leeg, zoekend.
Niet om te heersen, maar om lief te hebben tot het uiterste
Daar, in de stilte van de schemer, begint de innerlijke strijd. Wanneer het lawaai van de dag verstomt, komt de stem van binnen weer op. Een roep die Hij niet kan negeren. Geen waanzin, geen overspannen verbeelding, maar de diepe zekerheid van een roeping die alles van Hem vraagt. Een stem die zegt dat Hij de Messias is. Niet om te heersen, maar om lief te hebben tot het uiterste.
Wij zien het uiterlijke lijden van Jezus: de doornen die zijn voorhoofd schrammen, de geselslagen van Romeinse handen, de woede van een menigte die niet begrijpt. Maar dieper nog was zijn innerlijk lijden. Een existentieel lijden: de pijn van de roeping zelf. Pijn van wie zich toevertrouwt aan iets dat groter is dan hijzelf.
In die hartstocht van de roeping gloeit iets dat sterker is dan vertwijfeling: liefde.
Op de Olijfberg, onder de volle maan, weent Hij bloed. Niet om wat Hem fysiek te wachten staat, maar om de verscheurende helderheid van zijn roeping. Want een roeping vraagt alles. Ze geeft slapeloze nachten en knaagt aan de zekerheden van de rede. En toch: in die hartstocht van de roeping gloeit iets dat sterker is dan vertwijfeling: liefde.
Jezus ging, Hij deed wat God van Hem vroeg. Hij genas, Hij sprak, Hij ontmaskerde de leugen en bovenal beminde Hij tot het uiterste. Juist daarom ging Hij ten onder. Maar zijn zending was echt, de liefde waarachtig. En daarom verrees Hij.
Wie een roeping draagt, zoekt de kilte van de eenzaamheid op. Niet om te vluchten, maar om te herbronnen. Daar, in de stilte, botsen geloof en verstand, vertrouwen en twijfel. Wie dat gevecht in het land van de eenzaamheid uit de weg gaat, die stikt in cynisme.
Ik herken dat in mezelf. In het pastorale werk sleuren de dagelijkse zorgen mij in vermoeidheid en ergernis. De mensen met hun kleine verhalen, hun vragen en zorgen. Ik word er moedeloos van. Cynisme belooft mij te verlossen van zorgen door op te geven. Maar zodra ik de kracht vind om mij met deze zware emoties terug te trekken in de eenzaamheid, overstijg ik het cynisme en duwt diezelfde roeping mij terug naar de mensen. Een warme kracht tilt mij telkens op: de liefde.
De eenzaamheid duwt naar de ontmoeting en de ontmoeting duwt naar de eenzaamheid.
Zo blijf ik bewegen tussen eenzaamheid en ontmoeting. De eenzaamheid duwt naar de ontmoeting en de ontmoeting duwt naar de eenzaamheid. Zoals adem: in en uit.
Foto door Ryan Stone via Unsplash