Wij dromen van een betere wereld, van betere mensen, van een beter zelf, van vrede, goedheid, liefde. Als wij die grote dromen dromen, dromen wij eigenlijk van “het heil”. Alle mensen verlangen naar het “heil”. Dat verlangen vinden we terug in het feest van Nieuwjaar.
Meditatie bij de tekst van afgelopen zondag: Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt Johannes 1:29
Kenmerkend voor christenen is echter dat zij dit heil verwachten van een mens, van een mens die het heil zal belichamen en aan ons zal meedelen. Deze “persoonlijke” heilsverwachting is voor ons haast vanzelfsprekend geworden. Te weinig beseffen wij dat er daarnaast andere heilsverwachtingen bestaan die het heil niet belichaamd zien in een mens maar in betere levensomstandigheden of althans in een wet die een blauwdruk is voor betere levensomstandigheden. De moslims stellen hun vertrouwen in dergelijke wet, de Koran. Vele joden ten tijde van Jezus stelden hun hoop op de wet van Mozes. Die wet zou vrede, rechtvaardigheid en harmonie scheppen in de menselijke samenleving. Die wet zou hen toelaten zich te ontplooien als schepselen van God veeleer dan als onderdanen van een vorst. Zij waren er trots op en wij begrijpen waarom.
Ook in onze tijd zijn er veel mensen die veel verhopen van een of andere wet. Bijvoorbeeld van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Aan deze Verklaring hebben mensen veel te danken gehad. Wij mogen er trots op zijn, ongeveer zoals de oude Hebreeën trots waren op de wet van Mozes. Maar wij moeten beseffen dat zo’n wet, en de wereldordening die zij op het oog heeft, voor onze christelijke heilsverwachting niet voldoende is. Wij verwachten immers het heil niet van een wereldorde, maar van een mens.
Een mens zelf is daarentegen een mysterie dat nooit helemaal te doorgronden is
Men zou kunnen tegenwerpen dat een “persoonlijke” heilsverwachting stamt uit verre eeuwen, toen het lot van de mensen grotendeels afhankelijk was van de persoon van hun heerser, toen de Joodse profeten hun slechte koningen vervangen wilden zien door goede koningen. Maar neen, wij hebben goede redenen om ook in onze tijd meer te vertrouwen op het heil door een mens dan op het heil door een wet.
Een wet is een instrument dat bedacht is door mensen om vorm te geven aan hun wereld en dat vatbaar is voor hervorming door mensen. Een mens zelf is daarentegen een mysterie dat nooit helemaal te doorgronden is. Zeker als wij met een groot mens te doen krijgen, zal zijn mysterie zich aan ons opdringen als onverwacht en overweldigend. Toen Jezus onder de mensen leefde als de zoon van de timmerman in Nazareth, meenden de mensen Hem te kennen. Maar al gauw moesten ze op zijn mysterie stoten. In alle evangelies wordt telkens weer beklemtoond hoe moeizaam de kennismaking met Jezus van Nazareth verlopen is.
Een mens is wel iemand onder ons maar nooit iemand van ons. Een mens staat tegenover ons als een andere, als een “gij” tegenover een “ik”. Die onvatbaarheid van die andere valt minder op als wij te maken krijgen met mensen met hebbelijkheden en gebreken: die kunnen we herleiden tot “gewone mensen zoals wij”. Die onvatbaarheid valt meer op als die andere mens zijn medemensen geneest, hun kwaad uitdrijft en zin geeft aan hun leven.
Een wet kunnen we eerbiedigen maar een mens kunnen we liefhebben
Er is nog een tweede en beslissend verschil tussen het heil door de wet en het heil door een mens. Een wet kunnen we eerbiedigen maar een mens kunnen we liefhebben. Een wet heeft geen stem om ons aan te spreken. Een echte mens kan ons aanspreken tot in het diepste van ons hart. Hij kan ons gevoelig maken voor het goddelijke in onszelf. Hem kunnen wij antwoorden en danken, op een manier die men ‘bidden’ zou kunnen noemen. Zo’n mens mag inderdaad “Immanuel” heten, “God onder ons”.
Van zo’n overweldigende, weldoende, beminnelijke mens verwachten wij het heil. Hij is de mens die door Johannes de Doper wordt aangewezen in het begin van het evangelie van Johannes: “Ziedaar het lam Gods die de zonde van de wereld wegneemt”. Die mens zal God onder ons brengen, niet zozeer door de morele wet die Hij verkondigt en door de wereldverbetering die daaruit voortvloeit, maar door de eerbied die Hij ons betuigt en door de liefde die Hij ons aanbiedt. Zo’n mens nodigt ons uit om te worden wie we eigenlijk zouden moeten zijn: kinderen van God. Hij brengt ons het heil waarnaar wij uiteindelijk verlangen.