De Amerikaanse intellectueel Charles Murray kwam langzaam dichterbij het christendom. Hij beschrijft zijn weg in Taking Religion Seriously. Guido Dierickx sj leest over een lange, trage en degelijke verkenning. “Een zeldzaam boek.”
Charles Murray is een eminente Amerikaanse intellectueel, de auteur van boeken over cultuur en samenleving die terecht veel indruk hebben gemaakt (B.v. The Bell Curve 1994, Human Accomplishment 2003, Coming Apart 2012). Ooit was hij een agnosticus zoals dat in zijn milieu in de mode was, maar dat is hij nu niet meer. Na een lange zoektocht is hij dicht genaderd tot het christelijk geloof. Die zoektocht beschrijft hij in het recent verschenen “Taking Religion Seriously”, Encounter Books, New York – London, 2025.
Zijn verhaal maakt geen melding van een morele bekering, noch van een spirituele openbaring. Het heeft weinig van de Confessiones van Augustinus en nog minder van het visioen van Paulus op de weg naar Damascus. Het is eerst en vooral het verhaal van een lange, trage verkenning van veel voorkomende intellectuele stellingnames en daarom nuttig voor wie in zijn denken over religie zou terugschrikken voor mogelijke dwaalwegen. Hij geeft toe getroffen te zijn door het geloofsleven van zijn echtgenote, lid van een gemeenschap van Quakers. Maar hij voegt eraan toe dat hijzelf aanvankelijk niet gevoelig was voor de existentiële tekorten van het menselijk bestaan en ook niet in staat was tot enig gebedsleven.
Zo onwaarschijnlijk is de samenhang tussen het beperkte aantal kosmische wetmatigheden dat onvermijdelijk de vraag naar een intelligente schepper moet opkomen
De eerste vraag waarop hij stootte, betrof het ons omringende universum. Nog niet zo lang geleden leek het heelal een onoverzichtelijk geheel van toevalligheden waarin geen plaats was voor een scheppende God. Totdat astronomen ontdekten dat het universum een begin had (de “big bang”), fijn op elkaar afgestemde wetmatigheden en een geschiedenis die, o wonder, geleid heeft tot het ontstaan van het menselijk leven. Zo onwaarschijnlijk is de samenhang tussen het beperkte aantal kosmische wetmatigheden dat onvermijdelijk de vraag naar een intelligente schepper moet opkomen. Het inzicht in dit “antropic principle” dwingt niet tot geloven in de christelijke God maar nodigt wel uit tot het geloof in een God als eerste oorzaak, de god van Aristoteles.
Dit is echter een verre God, (“le Dieu des philosophes” in Les Pensées van Pascal), waarmee een christen en ook Murray geen vrede kan nemen. Mensen hebben behoefte aan een God die zij kunnen ervaren (Pascal’s “Dieu sensible au coeur”). Maar kunnen mensen hun bewustzijn en hun gevoeligheden op dit punt vertrouwen? Niet volgens een materialistisch mensbeeld dat het menselijk bewustzijn gedetermineerd acht door de Darwinistische evolutie. In dat geval geen leven na de dood, geen ziel die uitstijgt boven ons brein. Maar kan je dat volhouden als je gelooft in sommige paranormale verschijnselen en vooral in de werkelijkheid van “bijna dood ervaringen”? Murray gelooft daarin en dat zal voor menig lezer gewaagd klinken.
Meer overtuigend klinkt zijn geloof in het bestaan van een morele wet die goed onderscheidt van kwaad en die aan ons menselijk bewustzijn wordt opgelegd. Deze wet stelt eisen die kunnen ingaan tegen het nut van normen afkomstig uit het Darwiniaanse selectieproces. Zij verraadt de aanwezigheid van de scheppende God in het menselijk bewustzijn. Dit inzicht heeft Murray te danken aan de lectuur van “Mere Christianity” van C.S. Lewis, een auteur waarvoor hij groot respect heeft. Gelovigen ontdekken nog andere sporen van de goddelijke aanwezigheid in hun ervaringen, in hun gebedsleven bijvoorbeeld. Maar die andere “religieuze” ervaringen hebben bij hem kennelijk geen grote rol gespeeld.
Uiteindelijk zag Murray zich dan toch verplicht het christelijke geloofsgoed onder ogen te zien. Wat moest hij denken van de verhalen over Jezus van Nazareth bij de evangelisten, bij Paulus? Exegese is een geducht mijnenveld, zelfs voor wie er zijn leven aan gewijd heeft. Het getuigt van moed dat hij ook dit zo verwarrende domein van onderzoek grondig verkend heeft. Een doorbraak betekende voor hem de lectuur van het magnum opus van Richard Bauckham, “Jesus and the Eyewitnesses” (2006). Dit stelde, met stevige argumenten, dat de evangelies teruggaan op betrouwbare getuigen en veel minder op de verhaalkunst en de fantasie van latere geloofsgemeenschappen. (Dit boek is aan te bevelen voor al wie een dikgedrukte kanjer van meer dan vijfhonderd bladzijden aandurft.)
Het betoog van Murray culmineert in een lange paragraaf over de verrijzenis van Jezus. Ook dat behoort nu tot zijn geloofsgoed. Hij steunt daarvoor op een gezaghebbende auteur zoals T.N. White die een uitgesproken voorstander is van het geloof in een lichamelijke verrijzenis. En ook op recente wetenschappelijke analyses van de lijkwade van Turijn. Dit laatste kan eerder gewaagd genoemd worden maar, ik moet het toegeven, de wetenschappelijke gegevens die hij aanhaalt zijn fascinerend.
Dit boek ruimt veel puin op dat werd achtergelaten door vroegere generaties van intellectuelen en half-intellectuelen
Dit is een zeldzaam boek. Het steunt op heel veel gegevens uit verschillende domeinen van onderzoek en is niettemin helder geschreven, helemaal niet het werk van een pretentieuze intellectueel. Het preekt niet, het moraliseert niet, het dwingt niet tot geloven. Wel ruimt het veel puin op dat werd achtergelaten door vroegere generaties van intellectuelen en half-intellectuelen. Wie daaraan niet genoeg zou hebben, vindt in het boek tal van nuttige verwijzingen naar verdere lectuur.
Foto door Sipan Hota via Unsplash