
Annemarie den Blanken zit aan het bed van een zieke man. Hij doet haar denken aan de nederige tollenaar. Ze snapt waarom Jezus zondaars en kwetsbaren zo vaak in het licht zet.
De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: ‘God, wees mij zondaar genadig’ (Lucas 18, 9-14).
Hij liever zwijgt, de schaamte is te groot.
‘Waar wilt u dat we voor bidden’, vraag ik een ernstig zieke man bij wie het kantje boord is. Hij vertelde eerder iets over zijn verleden. Geen fraai verhaal. Alcoholisme leidde tot zaken waarover hij liever zwijgt, de schaamte is te groot.
‘Ach jongen, ga toch weer eens mee naar de kerk’, dringt zijn moeder een keer aan en dat is het begin van de omkeer. In de vertrouwde liederen en de troostende woorden van de dominee vindt hij vergeving en een nieuwe start. Hij bevrijdt zich van de alcohol en weet zijn leven weer op de rails te krijgen. Aan zijn zwervend bestaan komt een einde als hij de zorg voor zijn oude moeder en zijn gehandicapte broer op zich neemt.
‘Ik wil bidden om meer geloof’, antwoordt hij, terwijl zijn diepgelovigheid en bescheidenheid al zoveel indruk op mij maken. Bidden om meer geloof, want hij weet zich totaal afhankelijk van Gods genade. Hij vervolgt: ‘Als ik beter word, dan heb ik dat aan God te danken.’ ‘En als u niet beter wordt’, vraag ik. ‘Dan heb ik dat aan mezelf te wijten.’
In alles doet deze kwetsbare man mij denken aan de nederige tollenaar achterin de tempel, die door Jezus gezien wordt als ‘iemand die rechtvaardig is in de ogen van God’ (vers 14a) als hij bidt: ‘Wees mij, zondaar, genadig’.
De tollenaar beseft: ik ben een begenadigde zondaar
We horen de tollenaar niet zijn zonden één voor één belijden. Geen opsomming van missers, maar de tollenaar kent zijn plaats. Als mens. Hij weet dat hij als mens altijd tekort schiet in de liefde, wat hij ook doet. Hij heeft daarom het recht niet om te oordelen, zelfs niet als hij al zijn fouten goed maakt. De tollenaar beseft: ik ben een begenadigde zondaar, niet meer, niet minder. Alleen God is almachtig in liefde. Hij is genadig.
Nederigheid. Kom daar maar eens mee in onze tijd, waar het vooral gaat om jezelf profileren, zelfverzekerd overkomen, je laten gelden.
De farizeeër kan zich uitstekend profileren. Hij benoemt wat hij allemaal goed doet. En terwijl hij dat doet, begaat hij direct een ernstige zonde, namelijk de zonde van de vergelijking. Als je je beter voelt dan de ander, liggen hoogmoed en zelfgenoegzaamheid op de loer. Als je je minder voelt dan de ander, kun je verzinken in zelfverachting en ontmoediging. Met de zonde van de vergelijking – die de zonde van het veroordelen in zich draagt – is al zoveel kwaad gesticht. En dat terwijl we voor God allemaal gelijk zijn.
Het besef dat we bemind worden, wie we ook zijn
Misschien zet Jezus daarom de zondaars en kwetsbaren zo vaak in het licht. Niet omdat ze zielig of hulpbehoevend zijn, maar om wat zij te bieden hebben: het besef dat we bemind worden, wie we ook zijn. Om niet. Zij reiken het inzicht aan dat ieder mens kostbaar is in Gods ogen, ook als we ons niet kunnen laten gelden.
Al doen we het keer op keer: het is zo ontzettend zonde als we ons met de ander vergelijken.
De zieke man doorstaat zijn kuur, maar er wacht hem een zware gang naar huis, want dat zal leeg zijn. Tijdens zijn opname is zijn gehandicapte broer naar een ander ziekenhuis gebracht en kort daarna overleden. Zijn verdriet is groot. Hij kon er niet voor hem zijn, zelfs geen afscheid nemen. Toch komt geen klacht over zijn lippen. Rustig aanvaardt hij de weg die hij moet gaan. Hij zal zich wel redden. Uit ervaring weet hij: God is genadig.