De andere wang toekeren, de extra mijl gaan, je vijanden liefhebben, Jezus gaat ver in zijn leven. Ik vind dat prachtig, en toch roept het ook weerstand op. Want Jezus lijkt op te roepen tot een liefde die haaks lijkt te staan op iets wat ik probeer te leren: mijn grenzen (h)erkennen en die aangeven.
Ik probeer om te luisteren naar mijn lichaam, inzien wanneer iets wel kan en wanneer niet, en vooral, om dat niet te verbergen maar gewoon te zeggen: ‘sorry, maar dat gaat me nu even niet lukken.’ Spoort Jezus hier eigenlijk niet juist aan om daar overheen te gaan?
Een simpel voorbeeld: een vriend vraagt of ik vanavond zin heb om iets te gaan doen. Maar ik heb een lange dag achter de rug, ik voel aan mijn lichaam dat ik moe ben, en ik keek er eigenlijk naar uit om een rustige avond voor mijzelf te hebben. Waar ik vroeger geneigd zou zijn geweest dat te negeren, kies ik er nu juist voor daar eerlijk over te zijn : “Dankjewel voor de uitnodiging, maar vanavond even niet”.
Was dit niet het moment om in zijn voetsporen te treden en mijzelf te geven aan de ander, om die extra mijl te gaan?
Maar vervolgens komt daar dat schuldgevoel : ‘Stel ik mijn vriend nu niet teleur? Doe ik hem nu niet tekort?’ En dat gevoel krijgt al snel een religieuze lading: ‘Heb ik mijn naaste wel lief zoals Jezus hem zou liefhebben?’ ‘Was dit niet het moment om in zijn voetsporen te treden en mijzelf te geven aan de ander, om die extra mijl te gaan?’
Ergens heeft dat iets paradoxaals. Want ik begon met iets goeds, ik begon met te zeggen ‘hier ben ik’. Geen held die tot alles in staat is, maar een mens, die werkt, die geniet, en die ook rust nodig heeft. En toch eindig ik met het tegenovergestelde gevoel, het gevoel er niet te zijn, afwezig te zijn voor de ander.
Hoe heeft dat kunnen gebeuren? Waar is waarheid verdraaid tot leugen? Misschien zit het hem niet zozeer in wat die innerlijke stem mij zegt, maar vooral in wat die stem mij niet zegt. Al de bovengenoemde dingen zijn niet onwaar. Jezus spoort ons aan om ons helemaal te geven, om volmondig te zeggen: ‘Hier ben ik’. En omdat mens zijn nu eenmaal betekent grenzen te hebben, houdt elk ‘hier ben ik’ ook een ‘hier ben ik niet’ in.
Maar wat die innerlijke stem niet vertelt, is dat Jezus zelf eerst die weg is gegaan. Dat hij al die extra mijl heeft gelopen, de andere wang heeft toegekeerd, zijn vijanden heeft liefgehad. Nog voordat Jezus een voorbeeld geeft, geeft Hij zichzelf. Als ik dat uit het oog verlies, dan ga ik mij inderdaad forceren. Dan krijg ik inderdaad het idee dat alles van mij afhangt, en begin ik mijzelf geweld aan te doen.
Jezus doet mij weer voorbij mijzelf kijken
In zulke situaties raadt onze ordestichter Ignatius aan om de zaak om te draaien. Nu verkleint die negatieve stem heel subtiel mijn horizon tot mijzelf. Ignatius raadt aan mijn aandacht weer – even subtiel – op Jezus te richten. Voor hoe Hij zich inspant voor mij en mijn vriend en ons voorziet in alles wat we nodig hebben.
De woorden ‘hier ben ik’ klinken nu anders: als een uitdrukking van zijn ongelooflijke zachtmoedigheid, zijn weigering om te manipuleren en te forceren. Als een uitdrukking van zijn geweldloosheid. Geen veeleisende opdracht dus, maar een belofte: dat waar ik ook ga, wat ik ook doe, Hij met mij meegaat, mij liefheeft en met mij die extra mijl loopt.
Jezus doet mij weer voorbij mijzelf kijken. De logica van het kwaad, blijkt zijn tederheid niet alleen te hebben omgebogen tot een hard oordeel over mijzelf, maar ook over mijn naaste. Want waarom zou ik niet geloven dat mijn vriend vanuit eenzelfde goedheid leeft? Dat wanneer ik mij niet verschuil maar eerlijk zeg ‘hier ben ik’ ook hij niets liever doet dan mij die ruimte te geven? Dat hij meer dan bereid is om daarop te willen antwoorden met ‘en ik ben er voor jou’?
Photo by Adrian Swancar on Unsplash