Tot je doel komen, een opdracht die we opgelegd krijgen door onze omgeving, de maatschappij of door onszelf. Hoe doe ik dat dan? En hoe voorkom ik dat ik mijn doel misloop, voorbijschiet?
Wat we ook doen, het moet nuttig zijn en een doel hebben. Het liefst ook langs de kortste route. Kan ik mezelf loslaten en erop vertrouwen dat het wel goed komt, dat er Iemand is die daarvoor zorgt? Mij mee te laten dragen door de wind?
Tijdens een retraite deze zomer zat ik in een prachtige tuin vol bomen, struiken, vogels en vlinders, ik genoot er volop. Terwijl de wind rustig waaide zag ik hoe zaadpluisjes, officieel een vruchtpluisje, door de wind meegedragen werden. Sommige klommen hoger en hoger, anderen kwamen niet zo ver, die landden al vrij snel in het gras, op de grond. Om daar volgend jaar misschien weer op te komen.
Hoe kan dat zaadpluisje nu tot zijn doel komen dacht ik, het was gevangen
Eenmaal binnen zag ik zo’n pluisje hangen aan een stoelpoot, net boven de vloer. Kennelijk gevangen in een onzichtbaar web. Daar hing het dan, in de kapel. Hoe kan dat zaadpluisje nu tot zijn doel komen dacht ik, het was gevangen. Op een plek waar dagelijks zoveel mensen komen om God te zoeken en naar zijn doel met hun leven te vragen. Daar hangt het schijnbaar doelloos. Zal dit zaadje nog wortelschieten?
Ik moest denken aan de gelijkenis uit Lucas 13:18-21 over het koninkrijk van God. ‘Het lijkt op een zaadje van de mosterdplant dat iemand in zijn tuin zaaide’. Iemand vond dus een zaadje, een van de kleinste zelfs. Je moet het dus opmerken. Hij nam het mee, zaaide het in zijn tuin en het groeide en werd als een grote struik. Niet zomaar een struik, maar een boom ‘waar vogels van de hemel in de takken kwamen nestelen’.
Want soms verloopt de weg, het leven niet zoals we van tevoren bedacht hebben
Zo is dat ook met alles wat ik hier tijdens deze tijd met God vind aan zaadjes; glimpjes van Zijn aangezicht. Ik mag ze mee naar huis nemen. Niet om ze ergens neer te leggen en er af en toe naar te kijken, op deze periode terugblikkend. Nee, ik mag ze planten in ‘mijn tuin’. Zodat ze mogen groeien, ik hoef me daar verder geen zorgen over te maken want net zoals ook de ‘lelies in het veld groeien en met meer pracht en luister gekleed zijn dan Salomo’ (Mattheüs 6:28-29) zal God daarvoor zorgen.
Dit pluisje hangt tussen hemel en aarde, alsof het zegt: neem mij mee, plant mij en laat mij tot mijn doel komen. Want soms verloopt de weg, het leven niet zoals we van tevoren bedacht hebben. Net zoals met dit pluisje, want wie gaat het hier vinden? Het zou eenvoudig vertrapt kunnen worden, in een hoek gewaaid, opgeveegd. Net als in die andere gelijkenis met het zaad dat gezaaid wordt (Markus 4:3-8) geldt ook nu, het moet worden geplant in goede grond.
Zaadjes, het zijn gedachten, ideeën geplant en gekoesterd in mijn hoofd, in mijn hart
Van tevoren is mij niet duidelijk wat voor soort zaadje het is. Ik weet dus niet wat het zal voortbrengen. Zaadjes, het zijn gedachten, ideeën geplant en gekoesterd in mijn hoofd, in mijn hart. Zaadjes uit een overdenking, een retraite, het dagelijks leven of uit een periode van rust. Ik mag ze koesteren, planten. Ik mag ontdekken wat God laat groeien. Hij weet wat ik nodig heb om te groeien, veelvoudig vrucht te laten dragen of te worden als een schuilplaats. God kan met mij, met jou tot Zijn doel komen. Hoe? Door oog te hebben voor zelfs dat allerkleinste zaadje, gevonden op een onverwachte plek.