Leo de Weerdt ontdekt twee schrijfsters uit hetzelfde tijdsgewricht: Jacqueline Harpman (1929-2012, links op de foto) en Clarice Lispector (1920-1977, rechts op de foto). Harpman brengt God naar beneden in haar werk, Lispector doet bijna het tegenovergestelde. Wat hebben deze schrijvers gemeen?
“De passie volgens G.H.” van de Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector is geen boek waarvan ik na het omslaan van de laatste bladzijde meteen wist wat ik ervan moest denken. Integendeel: het bleef nog lange tijd ergens in mij nazinderen. Misschien was het juist die verwondering die mij ertoe bracht vervolgens nieuwsgierig “Dieu et moi” te gaan lezen, een roman van de Belgische schrijfster Jacqueline Harpman die mijn pad toevallig kruiste in de openbare bibliotheek.
Wat hun huidige herontdekking in de literaire wereld extra interessant maakt, is dat Lispector en Harpman min of meer tijdgenoten waren. Lispector werd geboren in 1920, Harpman in 1929. Hun levens en schrijversloopbanen overlapten grotendeels, ook al kwamen ze voort uit heel verschillende literaire en culturele werelden.
Wat gebeurt er met het menselijk ik wanneer het geconfronteerd wordt met (I)iets dat het overstijgt?
Vandaag worden beide schrijfsters opnieuw volop gelezen. Lispector wordt internationaal steeds opnieuw vertaald, terwijl Harpman dankzij de herontdekking van “Ik die nooit een man heb gekend” haar volledige oeuvre een opmerkelijke internationale tweede bloei beleeft.
Bij het lezen van deze twee romans zag ik een onverwachte verbinding. Niet omdat ze op elkaar lijken, maar omdat ze vanuit tegengestelde richtingen eenzelfde existentiële grens verkennen: wat gebeurt er met het menselijk ik wanneer het geconfronteerd wordt met (I)iets dat het overstijgt?
Dat is des te opmerkelijker omdat geen van beide schrijfsters vanuit een conventioneel religieus geloof schrijft. Lispector voelde zich sterk aangetrokken tot mystiek en spiritualiteit, maar verbond zich niet aan een religie. Harpman was uitgesproken atheïstisch. Toch speelt de vraag naar God en het absolute in beide romans een centrale rol.
Ook tegenover God weigert ze haar eigen stem op te geven
Bij Lispector begint alles heel concreet. Haar hoofdpersonage G.H. gaat een kamer binnen en treft daar een kakkerlak aan. Wat aanvankelijk een afstotelijke, alledaagse confrontatie lijkt, groeit uit tot een ontwrichtende en bijna mystieke ervaring. De kakkerlak brengt haar in contact met iets ouds en elementairs, iets wat aan het menselijke bewustzijn voorafgaat. Langzaam brokkelt haar vanzelfsprekende gevoel van identiteit af. Het onderscheid tussen mens en dier, tussen ik en wereld, tussen zichzelf en het andere wordt steeds minder scherp.
Bij Harpman is de uitgangssituatie even onwaarschijnlijk: haar vertelster sterft en ontmoet vervolgens God. Maar waar G.H. haar greep op zichzelf steeds verder verliest, houdt Harpmans vertelster juist hardnekkig aan zichzelf vast. Ze blijft vragen stellen, redeneren en zelfs ironisch reageren. Ook tegenover God weigert ze haar eigen stem op te geven.
Daarin schuilt misschien wel het meest opvallende verschil tussen beide romans. Harpman brengt God naar beneden: hij wordt een bijna menselijke gesprekspartner met wie haar vertelster kan discussiëren en zelfs ruzie maken. Lispector doet bijna het tegenovergestelde. Zij brengt het absolute niet naar de hemel, maar naar de materie, naar een kakkerlak die we instinctief van ons af willen houden.
De ene lijkt te zeggen: je moet jezelf kunnen verliezen om iets groters te ervaren. De andere: zelfs tegenover het absolute blijf ik mezelf.
De ene schrijfster kijkt als het ware omhoog, de andere omlaag. Toch komen ze op een vergelijkbare grens uit: die van het vertrouwde zelf. Bij Lispector betekent die ontmoeting vooral overgave. G.H. moet haar vaste ideeën over zichzelf en de werkelijkheid loslaten. Bij Harpman is er eerder sprake van verzet. Zelfs tegenover het absolute blijft haar vertelster vasthouden aan haar eigen denken en vrijheid.
Waar Lispector het ik poreus maakt, maakt Harpman het weerbarstig. De ene lijkt te zeggen: je moet jezelf kunnen verliezen om iets groters te ervaren. De andere: zelfs tegenover het absolute blijf ik mezelf.
Misschien ligt juist daarin hun onverwachte verwantschap. Beide schrijfsters gebruiken de godsvraag niet om een geloofsantwoord te geven, maar om te onderzoeken wat het betekent mens te zijn en tegelijk vrij te willen blijven. Lispector zoekt die ervaring in de ontgrenzing van het ik; Harpman in het gesprek en het verzet. Geen van beiden sluit de vraag naar het absolute af. Ze laten haar open — en misschien is dat precies wat hun werk vandaag opnieuw zo interessant maakt.
Meer over Clarice Lispector op de website van de uitgever en op wikipedia.
Meer over Jacqueline Harpman op wikipedia en bij de Nederlandse uitgever.
Foto: Michiel Hendryckx en Maureen Bisilliat
Leo De Weerdt SJ is een Vlaamse jezuïet. Hij is werkzaam als gevangenisaalmoezenier.