Mensen helpen om tot een goede relatie met God te komen – dat is de kern van het boek van Barry en Connolly dat enige tijd geleden verscheen maar nu opnieuw het daglicht zag in de vertaling van Wiggert Molenaar en Nikolaas Sintobin.
Hun vlotte vertaling helpt om het boek te lezen als een roman: een goed doorlopend verhaal, waarin ervaren begeleiders verslag doen van hun bevindingen tot lering van een nieuwe generatie begeleiders. De lezer krijgt een heldere indruk waar het in geestelijke begeleiding om gaat.
Het boek werd gepresenteerd op een symposium voor geestelijke begeleiders eind vorig jaar in Nijmegen. Naast de boekvoorstelling stonden ook lezingen en workshops rond facetten van geestelijke begeleiding op het programma. Het initiatief werd georganiseerd door het Platform voor ignatiaanse spiritualiteit en het Titus Brandsma Instituut die meteen ook de twee stromingen van geestelijke begeleiding in Nederland vertegenwoordigen.
Het boek ademt veel vanzelfsprekendheid als het gaat om de relatie met God. Je kunt ‘met God in gesprek gaan’ (p. 28), ‘luisteren naar en reageren op een God die zichzelf openbaart’ (p. 27). De schrijvers bieden ‘hulp bij het ontwikkelen en onderhouden van de relatie met God’ (p. 17). Je moet wel ‘geloven dat God daadwerkelijk communiceert’ (p. 40). ‘God neemt deel aan de relatie’ (p. 72). Er is sprake van een samenwerking tussen dogmatische theologie en spiritualiteit: de religieuze dimensie van ervaring wordt fundamenteel genoemd voor het christelijk leven. “God is aanwezig in alle menselijke ervaringen, maar we zijn ons niet altijd bewust van deze aanwezigheid. Als we ons daarvan bewust worden, dan krijgt de ervaring een religieuze dimensie.” (p. 250)
Wie ervaring heeft met begeleiding zal veel herkennen. De grilligheid van ervaring, de moeite om waarheid en schijn te onderscheiden komen goed uit de verf. De casussen die beschreven worden zijn onaf en eigenlijk weinig overtuigend; ze helpen wel om de eigen mening over begeleiden aan te scherpen. Er zijn af en toe uitstapjes naar psychologie en therapie, maar zonder al te veel in systeem te brengen. Helder wordt er herhaaldelijk aan herinnerd dat het hier, anders dan in andere vakgebieden, uitdrukkelijk gaat om de ondersteuning (faciliteren) van de relatie tussen de begeleide persoon en God.
Nergens vond ik een goede illustratie van het zoeken naar God. Misschien nam de vanzelfsprekendheid van het aanwezig weten van God in de mens in de loop der jaren af, of ben ik het zelf die moeite heeft gekregen met het gemak van spreken over God, tot God en met God als was het een fysiek tweegesprek. Ignatius van Loyola, die de schrijvers af en toe noemen als de inspiratiebron of misschien beter de leermeester in hun begeleidingspraktijk, kent weliswaar een vanzelfsprekend aanwezige God – alle uren van de dag – maar de leerschool die de weg wijst naar deze direct beschikbare God is minder eenvoudig. Maar dat is geen thema in dit boek.
Verhuld blijft hoe de Geestelijke Oefeningen van Ignatius aan de oorsprong staan van wat het boek als praktijk beschrijft. Hoe de Oefeningen precies in hun werk gaan, zult u in andere boeken moeten zoeken. Wel wordt eerlijk vastgesteld dat geestelijk begeleider worden een levenslange reis is. Het ‘vertrouwenspact’ tussen begeleider en begeleide groeit pas uit veel voorzichtigheid en langzaam groeiend inzicht in het innerlijk leven van de mens. Het boek schetst in ieder geval hoe subtiel en ambigue dat is. Ieder gaat er een eigen weg mee, maar kan er wel goed bij geholpen worden.
William A. Barry & William J. Connolly, met een voorwoord van Nikolaas Sintobin, GEESTELIJKE BEGELEIDING, Ignatiaanse wegwijzers voor het pastoraat. Utrecht/Amsterdam 2025