De eerste encycliek van paus Leo XIV, ‘Magnifica Humanitas’, heeft veel aandacht gekregen vanwege de nadruk op kunstmatige intelligentie. Een lezer die op basis van die krantenkoppen het document ter hand neemt, zou begrijpelijkerwijs verbaasd zijn te ontdekken dat de eerste twee hoofdstukken – van de in totaal vijf – nauwelijks over A.I. gaan.
Ik denk echter dat wanneer deze encycliek door theologen en toekomstige pausen wordt geciteerd en aangehaald – wat ongetwijfeld zal gebeuren – er het vaakst naar die eerste twee hoofdstukken zal worden verwezen. Dat komt deels doordat discussies over A.I., zoals Leo zelf opmerkt, „snel achterhaald raken, gezien het opmerkelijke tempo waarin deze systemen zich ontwikkelen“.
Ik verwacht dat deze eerste twee hoofdstukken verplichte lectuur zullen zijn in elke inleidende cursus over de katholieke sociale leer
Een nog belangrijkere reden is dat de eerste twee hoofdstukken een meesterlijke uiteenzetting zijn van hoe de kerk haar sociale leer begrijpt en ontwikkelt. Ze sluiten aan bij een lange traditie van sociale encyclieken die telkens de voorafgaande traditie becommentariëren en uitbreiden. Er is zelfs een reeks encyclieken waarvan de titels verwijzen naar de verjaardag van „Rerum Novarum“ (van paus Leo XIII in 1891): „Quadragesimo Anno“ ter gelegenheid van de 40ste, „Octogesima Adveniens“ ter gelegenheid van de 80ste en „Centesimus Annus“ ter gelegenheid van de 100ste verjaardag.
Ik verwacht dat deze eerste twee hoofdstukken verplichte lectuur zullen zijn in elke inleidende cursus over de katholieke sociale leer. Ze zijn een geschenk, zowel omdat ze gemakkelijk te lezen zijn als omdat ze indruk maken door de synthese die ze bieden van het geheel van de leer dat ze presenteren.
Leo’s uiteenzetting is meer dan een samenvatting van de geschiedenis van de sociale leer. Hij brengt veeleer de ontwikkeling ervan in kaart, „om het dynamische karakter ervan aan te tonen“. Leo verwijst keer op keer naar ‘Gaudium et Spes’ van het Tweede Vaticaans Concilie, de pastorale constitutie over de Kerk in de moderne wereld. Het begrijpen van de geschiedenis is voor hem ‘een van de plekken waar de Kerk zich door de Geest laat onderwijzen over de humaniserende kracht van het Evangelie’ en ‘leert haar eigen leer te ontwikkelen ten dienste van de waardigheid van elke persoon en het welzijn van alle volkeren’.
Het beeld dat Leo ons geeft van de ontwikkeling van de sociale leer is niet dat van een kerk die tijdloze wijsheid toepast op de steeds veranderende tekenen des tijds, maar veeleer dat van de Heilige Geest die door de geschiedenis heen werkt om de kerk te helpen dieper in het evangelie door te dringen. De ontwikkeling van de leer is, zoals de kerk al lang weet, geen schoorvoetende aanpassing van de traditie aan de huidige behoeften, maar een daad van trouw waarin de kerk met God samenwerkt.
Leo verwoordt dit inzicht over de ontwikkeling van de kerkleer door het te illustreren, waarbij hij niet alleen teruggrijpt op „Rerum Novarum“, maar ook op de wortels van de sociale leer in het Evangelie. Het betreft, schrijft hij, „geen handboek van toe te passen principes en normen, maar een proces van gezamenlijke onderscheiding“ en „een theologie van de historische gemeenschap, een ontwikkeling waarin het vleesgeworden Woord aanwezig blijft door dialoog, herinnering en profetie.“
„Magnifica Humanitas“ biedt een uitdaging om de sociale leer te begrijpen, te verkennen en te belichamen
Als ‘gezamenlijke onderscheiding’ ons doet denken aan wat we ook in verband met synodaliteit hebben gehoord, is dat geen toeval. Aan het einde van zijn tweede hoofdstuk over de beginselen van de katholieke sociale leer stelt Leo een ‘examen’ voor over de mate waarin de Kerk zelf de beginselen van sociale rechtvaardigheid naleeft, waarbij hij zegt dat voor de Kerk ‘het algemeen welzijn de vorm aanneemt van een synodale benadering van de zending ten dienste van het Koninkrijk’.
„Magnifica Humanitas“ biedt ons niet alleen een samenvatting van de sociale leer van de kerk, maar ook een uitdaging om die leer te begrijpen, te verkennen en te belichamen, te verdiepen. Het kader ervan schetst een kerk die vertrouwen uitstraalt in haar eigen traditie en in de waarheid die zij van God heeft ontvangen, door enthousiast en edelmoedig deel te nemen aan de verdere ontwikkeling van deze leer.
De laatste drie hoofdstukken van de encycliek brengen die benadering in de praktijk. Naast het stellen van specifieke vragen over het gebruik van kunstmatige intelligentie, toont Leo ook een moedige bereidheid om de leer van de kerk op andere gebieden verder te ontwikkelen. Hij reflecteert op de langdurige tolerantie van de kerk ten aanzien van slavernij, voordat deze in de 19e eeuw universeel werd veroordeeld, en noemt die tolerantie een „wond in het christelijk geheugen“. Hij beschrijft de theorie van de ‘rechtvaardige oorlog’, ‘die maar al te vaak is gebruikt om elke vorm van oorlog te rechtvaardigen’, als ‘achterhaald’.
Noch Leo’s korte beschouwingen over slavernij en rechtvaardige oorlog in deze encycliek, noch zijn uitgebreidere behandeling van kunstmatige intelligentie zullen het laatste woord zijn in de dialoog van de kerk over deze kwesties. In plaats daarvan weerspiegelen ze, in Leo’s woorden, „een harmonieuze, zij het niet altijd lineaire ontwikkeling die gekenmerkt wordt door verschillende accenten, voortschrijdende inzichten en, soms, veranderingen in perspectief die geen breuk zijn met het verleden, maar de implicaties ervan de kans geven om te rijpen.”