Regelmatig horen we over verschrikkingen van ouders die hun kinderen mishandelen. Leo de Weerdt SJ leest “Si petite” van Frédéric Boyer, een verhaal over zulk misbruik met als een van de vragen: Hoe kunnen wij voorkomen dat wij onverschillig worden?
Soms zouden wij willen geloven dat het kwaad ons niet echt kan raken. Alsof het iets is van andere tijden, van ontspoorde mensen, van geschiedenissen die zich ver van ons afspelen. Maar telkens opnieuw dringt de werkelijkheid zich aan ons op. In de voorbije maanden werden wij geconfronteerd met verhalen die bijna ondraaglijk zijn: kinderen die mishandeld, vernederd of achtergelaten worden door wie hen juist hadden moeten beschermen. In België werden recent ouders veroordeeld voor de langdurige mishandeling en dood van hun kind. Een Franse koppel liet hun hun twee jonge kinderen achter in een bos in Portugal, en onlangs was er het extreme geval van kindermishandeling in Groningen. Zulke feiten treffen ons des te harder omdat zij raken aan wat het meest kwetsbaar en weerloos is.
Diezelfde ontreddering ligt aan de oorsprong van “Si petite” van Frédéric Boyer. Boyer vertrekt van de waargebeurde zaak van Marina Sabatier, een meisje van acht jaar dat in 2009 in Frankrijk stierf na jarenlange mishandeling door haar ouders. Haar lichaam droeg de sporen van geweld en vernedering, terwijl waarschuwingen van leerkrachten en hulpdiensten uiteindelijk niet volstonden om haar te redden. Toch maakt Boyer in zijn roman een opmerkelijke keuze: hij noemt het kind nooit bij naam. Niet uit afstandelijkheid, maar uit respect. Alsof hij haar wil behoeden voor een tweede geweld — dat van de publieke blik, van sensatie en nieuwsgierigheid. Het naamloze kind wordt zo het gelaat van alle kwetsbare kinderen die bescherming hadden moeten vinden en toch verloren gingen.
Maar “Si petite” is veel meer dan een reconstructie van feiten. Boyer weigert van deze tragedie zomaar literatuur te maken. “Het kan er niet alleen om gaan te vertellen of te romantiseren,” schrijft hij. Wat hem bezighoudt, is de vraag wat zulke gebeurtenissen met ons doen. Hoe wij blijven leven met de wetenschap dat mensen tot zulke daden in staat zijn? Hoe wij kunnen voorkomen dat wij onverschillig worden?
Misschien ligt daar een van de diepste vragen van onze tijd. Want het kwaad beperkt zich niet tot uitzonderlijke misdaden. Het verschijnt ook in oorlogen waarin burgers sterven en kinderen opgroeien tussen angst en puin. Het leeft in racisme, in uitsluiting, in haatspraak en vernedering. Het groeit waar mensen gereduceerd worden tot hun afkomst, hun geloof, hun huidskleur of hun kwetsbaarheid. Het kwaad verandert van gezicht, maar draagt telkens dezelfde kilte in zich: de ontkenning van de waardigheid van de ander.
Daarom vraagt menselijkheid om waakzaamheid. Niet angstig of wantrouwig, maar aandachtig. Want het kwaad begint zelden spectaculair. Vaak groeit het in kleine vormen van onverschilligheid: wanneer wij niet meer luisteren, wanneer wij ons afsluiten voor het lijden van anderen, wanneer wij wennen aan geweld of cynisme. Soms begint het eenvoudigweg in het wegkijken.
Misschien is dat ook de spirituele kracht van Boyers roman. Hij schrijft niet om te choqueren, maar om ons vermogen tot mededogen levend te houden. Hij schrijft ergens dat “lijden met wat ik niet kan herstellen” misschien de hoogste betekenis van compassie is. Dat is een moeilijke maar wezenlijke gedachte. Want mededogen betekent niet dat wij oplossingen hebben. Het betekent dat wij weigeren onverschillig te worden tegenover het lijden van anderen. Dat wij de wonde blijven aanzien zonder onze menselijkheid te verliezen.
En toch mag ook dat niet het laatste woord zijn. Want tegenover het kwaad staat telkens opnieuw de keuze om mens te blijven. Wij kunnen slachtoffers niet terugbrengen. Wij kunnen littekens niet ongedaan maken. Maar wij kunnen wel weigeren te wennen aan de hardheid van de wereld. Wij kunnen blijven geloven dat aandacht, tederheid en verantwoordelijkheid ertoe doen. Misschien begint hoop precies daar: waar mensen, ondanks alles, blijven kiezen voor mededogen. Waar zij weigeren de ander te reduceren tot vijand, nummer of probleem. En misschien is dat uiteindelijk de stille maar diepe kracht van “Si petite”: dat deze moedige roman ons eraan herinnert hoe noodzakelijk het is om, onder het gewicht van zoveel vormen van kwaad, onze broze menselijkheid niet los te laten.
Si Petite, Frédéric Boyer, uitgeverij Gallimard, 2024, ISBN 978-2-07-307562-8
Leo De Weerdt SJ is een Vlaamse jezuïet. Hij is werkzaam als gevangenisaalmoezenier.