Agnes Pas maakte in de vakantie een reis naar binnen. Zoekend naar taal en nieuwe woorden om het onuitspreekbare een persoonlijke taal te geven. Er is één woord dat steeds terugkomt: aanwezigheid.
Aan het huis waar ik voorbij stapte, stond een moeder met haar kleuter in de armen. Ik wou hen op het voetpad passeren, maar moest even uitwijken. De baby, een wankel lopertje, werd plots op de grond gezet en begon te lopen. Hij of zij stapte met een zekere haast. Toen zag ik iets verder een opa met even flinke passen in de richting komen van zijn vermoedelijk kleinkind, of achterkleinkind?
Nawagade? Wat een klankrijke vraag
Ik hoorde nog net, toen ik al voorbij was, de opa zeggen: “nawagade”.
Die vraag bleef in mijn geheugen hangen. Nawagade? Wat een klankrijke vraag. Naar waar ga je? Of, waar trek je naartoe, of naar waar ben je onderweg? Deze vragen klinken lang niet zo melodieus als ‘nawagade’. Het klinkt als een exotische vrucht of een dorp ergens in Afrika.
Als je er wat aandacht voor hebt, kan je vaststellen dat mensen bijna dagelijks nieuwe woorden maken. Het zijn woorden die ontstaan in het hart van de communicatie met een bepaalde persoon in een bepaalde context, of bij een intense ervaring. Het woord of de woorden borrelen op voor die gelegenheid en zijn uniek.
Ik heb een taal gezocht en nieuwe woorden verkend om het onuitspreekbare een persoonlijke taal te geven
Ik hou van een taal die leeft, van nieuwe woorden die ontstaan, van mensen die in relaties en bij intense ervaringen een persoonlijke taal vinden om zich uit te drukken.
Waar ga je naartoe? Of waar kom je vandaan?
Het is een vraag die in de vakantiemaanden vaker wordt gesteld. Voor mezelf liggen de verre reizen achter mij en heb ik in deze vakantiemaanden eerder een reis naar binnen gemaakt. Ik heb een taal gezocht en nieuwe woorden verkend om het onuitspreekbare een persoonlijke taal te geven. En waar ben ik terechtgekomen? In het hart van mijn innerlijke reis kwam er één woord bovendrijven “Aanwezigheid”. Een ervaring en groeiend besef er niet alleen voor te staan. Een ervaring zoals bij het kind op weg naar de open armen van zijn opa. Zo ook mag ik me geborgen weten en geliefd. Het beeld van een schaduw die me overal volgt.
En ziehier de woorden die kwamen om even bij stil te staan:
Aanwezigheid laat zich kennen
in de stilte,
niet in het rusteloos nadenken,
niet in het schitterend verklaren,
niet in dogma’s of leefregels.
Aanwezigheid laat zich kennen,
in het onverwachte,
niet in logische veronderstellingen,
niet in een goede planning,
niet in woorden die willen overtuigen.
Aanwezigheid is er
op ogenblikken waarop je er niet
op bedacht bent,
licht plots op en nestelt zich
als vanzelfsprekend in lichaam en geest.
Aanwezigheid, als een Goddelijke relatie
waarin je verrassend staat of beweegt,
kondigt zich niet aan vooraf,
licht eerder op vanuit de weg die je kwijt was,
als een voetspoor in het zand, als een schaduw die je volgt.
Afbeelding van de auteur