In deze zomerserie staan we stil bij onvervulde verlangens. De redactie beschrijft wat het zinnetje “Ik had zo graag gewild…’ bij hen oproept. Vandaag: Jan Peters over het opgroeien onder het strakke regime van het kleinseminarie van het bisdom. “Achteraf denk ik: waarom ben ik daar gebleven?”
Het onderwerp van onze zomerserie heeft me lang achtervolgd: veel van mijn emoties uit het verleden zijn toch in de prullenbak verdwenen. Echt te weinig inhoud.
Ik stond op het punt de opdracht terug te geven, toen opeens door mijn geheugen flitste: Ik had wel graag een echte puberteit gehad. Die zin zette me wel aan het denken, enerzijds de vraag of ik de puberteit niet teveel idealiseer, maar ook de vraag: was de puberteit zeventig jaar geleden niet heel anders dan we nu in romans en de media lezen en zien?
Terugdenkend aan die tijd kwam er een diversiteit aan emotionele herinneringen naar boven
Terugdenkend aan die tijd – ik zat van mijn elfde tot mijn zeventiende op het kleinseminarie van het bisdom – kwam er een diversiteit aan emotionele herinneringen naar boven,
Ik pak er twee uit, die wellicht bij het thema “verloren puberteit” passen: de behoefte om mijn eigen plaats te zoeken en te vinden in de grote wereld om me heen en het afzetten tegen het gezag, dat je als niet-relevant beschouwt.
Mijn eigen plaats zoeken in de grote wereld. Zelfs in de kleine, besloten, strak gereglementeerde wereld van de mannengemeenschap van het kleinseminarie viel dat niet mee.
Een gemeenschap – mijn klas begon met 110 leerlingen – waarin sport een heel belangrijke plaats innam. Als ik ergens niet in uitblonk, was het in sporten. Op de lagere school kroop ik liever weg met een boek dan buiten met vriendjes te gaan spelen. Omdat duidelijk was dat ik in de sport geen rol van betekenis kon spelen, was de enige andere mogelijkheid: dan moet ik goed worden in de studie. Daardoor kon ik toch ook een plaats veroveren temidden van mijn klasgenoten.
Ik voelde me benauwd, opgesloten in die kleine, beperkte wereld
Het was een besloten gemeenschap: buiten kwamen we niet, behalve de twee verplichte wandelingen in de week, de hele klas in een lange rij met een priester-surveillant voorop en een andere achteraan. En één keer per trimester een middagbezoek van mijn ouders, samen in het plaatselijk café.
Ik voelde me benauwd, opgesloten in die kleine, beperkte wereld. Als compensatie begon ik boeken te verslinden (uit de selectie van de seminariebibliotheek…), die me zicht gaven op de wereld buiten. Ik las zelfs – tot ongenoegen van de surveillanten – tijdens de verplichte studie-uren.
Toen ik in de vijfde klas zat, knutselde ik zelf een mini-radiootje (een “kristalontvanger”) in elkaar om in bed te luisteren naar de grote wereld buiten. Met de kristalontvanger en de boeken kreeg ik zicht op de grote wereld, maar vocht ik niet om daarin een plaats voor mezelf te creëren.
Me verzetten tegen het strakke regime, het gezag, lukte ook nauwelijks. We werden door de surveillanten in de gaten gehouden, en iedere maand zorgden zij voor een punt voor gedrag en een voor vlijt. Die werden in de refter voor alle klassen tegelijk voorgelezen, te beginnen met de braafsten en ijverigsten (waartoe ik nooit behoorde) en eindigend met de slechtste. Ik was al blij als ik tot de middelmaat behoorde: “en de rest met een zeven” was telkens het slotwoord. Voor ieder punt onder de zes moest je een week “herstellen”; geen van de surveillanten mocht iets aan te merken hebben en privileges golden niet voor jou. Het drukte alle gedachten aan verzet ver weg.
Toch bekruipt me het gevoel dat ik toen iets heb gemist, en dat ik dat heb laten gebeuren
Achteraf denk ik: waarom ben ik daar gebleven, terwijl mijn ouders zeiden dat ik rustig terug kon komen en naar het Canisiuscollege in Nijmegen kon gaan. Was het een religieuze motivatie of gewoon eergevoel (“ze krijgen me niet klein”)? Ik kan het moeilijk terughalen.
Hoe zouden de jaren van mijn puberteit verlopen zijn, als ik “gewoon” als extern op het Canisiuscollege had gezeten? Geen idee. Maar toch bekruipt me het gevoel dat ik toen iets heb gemist, en dat ik dat heb laten gebeuren.
Dus toch: wat had ik graag een “gewone” puber willen zijn.
Foto: Still uit de film Death Poet Society met Robin Williams die over dit thema gaat