Albert Camus (1913-1960) beleeft opnieuw een opvallende heropleving. Zijn romans en essays worden niet alleen opnieuw gelezen in literaire en filosofische kringen, maar spreken ook een jongere generatie aan die worstelt met vragen over zin, vrijheid, verantwoordelijkheid en authenticiteit.
Op sociale media, vooral op TikTok, circuleren talloze citaten die aan Camus worden toegeschreven — sommige terecht, andere apocrief. Het fenomeen is op zichzelf al veelzeggend: de vragen die Camus stelde, blijken opnieuw verrassend actueel. (cfr. de krant De Morgen 09/05/2026).
Misschien is dat niet toevallig. Camus schreef in een tijd waarin traditionele zekerheden onder druk stonden en de mens zich opnieuw moest afvragen hoe hij kon leven in een wereld zonder vanzelfsprekende antwoorden. Ook vandaag ervaren velen dat oude overtuigingen hun vanzelfsprekendheid hebben verloren. Camus biedt geen gemakkelijke antwoorden, juist daarom blijft zijn stem boeien.
Camus zocht voortdurend naar een manier om menselijk te blijven in een wereld waarin absolute zekerheden ontbreken
Dat blijkt onder meer uit de recente verfilming van de roman “L’Étranger” (De Vreemdeling) door François Ozon (2025). De film brengt Meursaults vervreemding en confrontatie met een absurde wereld opnieuw naar het grote scherm. Maar naast die bekende auteur en filosoof van het absurde verschijnt in recente publicaties ook een minder bekende: de Camus die zijn leven lang in gesprek bleef met het christendom.
Dat is het intrigerende perspectief van Véronique Albanel in “Le Christ de Camus” (2025). Zij onderzoekt hoe de figuur van Christus, hoewel Camus het christelijke geloof niet deelde, voor hem een blijvende morele betekenis kon hebben. Christus verschijnt daarbij niet zozeer als voorwerp van geloof, maar als figuur van gerechtigheid, solidariteit, mededogen en vergeving. Het helpt om Camus niet uitsluitend te lezen als de auteur van het absurde en de opstand, maar ook als iemand die voortdurend zocht naar een manier om menselijk te blijven in een wereld waarin absolute zekerheden ontbreken.
Die spanning wordt bijzonder zichtbaar in “La Chute” (De Val, 1956), dat ik onlangs opnieuw las. Jean-Baptiste Clamence, ooit een gevierd en zelfverzekerd advocaat, ziet zijn zorgvuldig opgebouwde beeld van zichzelf als rechtvaardig en edelmoedig instorten wanneer hij een vrouw in de Seine hoort vallen en niet ingrijpt. De titel verwijst niet alleen naar zijn persoonlijke val, maar roept ook de Bijbelse zondeval in herinnering. Veelzeggend is bovendien zijn naam: Jean-Baptiste, Johannes de Doper. Hij predikt schuld en bekentenis, maar biedt geen verlossing. Clamence houdt de lezer een ongemakkelijke spiegel voor: hoe zuiver zijn onze goede daden eigenlijk, en hoeveel ijdelheid en eigenbelang schuilen er soms achter onze deugdzaamheid?
Een schrijver die weigerde zich neer te leggen bij cynisme of onverschilligheid
Ook “Brieven aan mijn leraar”, de recente Nederlandse uitgave bij De Bezige Bij, werpt nieuw licht op de mens achter de schrijver. De briefwisseling met Louis Germain, de onderwijzer die de jonge Camus in Algiers onder zijn hoede nam, getuigt van een levenslange dankbaarheid. De bundel is aangevuld met de tekst “De school”, een passage uit het autobiografische “De eerste man” een onvoltooid manuscript van de auteur. Juist hier wordt zichtbaar hoe sterk Camus gevormd werd door zijn afkomst uit een arm milieu en door mensen die hem hielpen zijn mogelijkheden te ontdekken.
Daarmee raken de verschillende lijnen in Camus’ werk elkaar. De jongen die in de herinnering aan zijn eerste communie een bijna lichamelijke vervoering beschrijft in “de School”, de leerling die door zijn leraar wordt geholpen (Brieven aan mijn leraar), de schrijver die Christus als moreel ideaal blijft bevragen, en de denker die het absurde onder ogen ziet. Ze vormen samen het portret van een schrijver die weigerde zich neer te leggen bij cynisme of onverschilligheid.
Misschien ligt precies daarin zijn blijvende actualiteit. Camus wist dat de mens zonder definitieve antwoorden moet leven, maar hij zag daarin geen reden om niet te hopen, lief te hebben en verantwoordelijkheid te dragen. Tussen het absurde en de hoop blijft hij ons uitdagen tot een eenvoudige maar moeilijke vraag: hoe willen wij leven?
Albert Camus, Brieven aan mijn leraar (een ode aan de bijzondere band tussen leraar en leerling) , 2026, De Bezige Bij, Amsterdam
Albert Camus, De vreemdeling, 2019, De Bezige Bij, Amsterdam
Albert Camus, De val, 2019, De Bezige Bij, Amsterdam
Véronique Albanel, Le Christ d’Albert Camus, 2025, Desclée De Brouwer
Foto: Photograph by United Press International
Leo De Weerdt SJ is een Vlaamse jezuïet. Hij is werkzaam als gevangenisaalmoezenier.