
Ignis is een webmagazine gebaseerd op de ignatiaanse spiritualiteit. Maar wat houdt dat precies in? Een serie over onze uitgangspunten. Vandaag regionaal overste Marc Desmet over het ignatiaanse instrument om het functioneren van mensen en organisatie te ‘optimaliseren’: het memoriale.
De hoeksteen van het bestuur bij de jezuïeten is het jaarlijks huisbezoek door de regionaal, ook ‘hogere overste’ genoemd, aan een communiteit en eventueel een daaraan verbonden organisatie. Daarbij spreek ik met iedere jezuïet en belangrijke medewerker. Aan ieder wordt gevraagd om zo open en zo eerlijk mogelijk te spreken over de vraag ‘Ben je tevreden in jouw roeping?’
Het is een soort tevredenheidsinterview, maar dieper en geestelijker dan een afvinkenquête voor statistische verwerking. Vervolgens moet de hogere overste ‘het memoriale’ brengen, liefst live en niet al te lang na het bezoek. Dat is een schriftelijk of meestal mondeling rapport waarin hij, zoals onze traditie zegt, ‘noteert wat excellent is in het leven en werk van de gemeenschap of de apostolische, even goed als wat gecorrigeerd dient te worden.’ Ik focus hier op dit ‘memoriale’.
Ons bestuur wil dus in de eerste plaats gebaseerd zijn op de persoonlijke kennis van de jezuïeten en hun medewerkers over hun (on)tevredenheid
Ons bestuur wil dus in de eerste plaats gebaseerd zijn op de persoonlijke kennis van de jezuïeten en hun medewerkers over hun (on)tevredenheid, dus niet op resultaten, cijfers en balansen. Dat valt op in managementtijden. Het tweede waarover ik mij hier verwonder, is dat ik word verwacht na een reeks individuele gesprekken te onderscheiden welke gemeenschappelijke punten – positieve en negatieve – naar boven komen drijven. Dergelijke ‘verwerking van de gegevens’ vergt niet alleen verstandelijke synthese maar ook gebed en een ‘positief vooroordeel’ dat probeert de mening van mijn medebroeders en medewerkers te ‘sauveren’, om de geest van de Geestelijke Oefeningen trouw te blijven. En bij dit alles mag ik de vertrouwelijkheid niet schenden.
Eigenlijk volg ik in mijn memoriales de basisstructuur van de terugblik, een zeer typisch ignatiaans ‘instrument’. Vooreerst: waar zie ik als regionaal gemeenschappelijke zaken, ‘patronen’ waarvoor we dankbaar zijn? Bijvoorbeeld, dankbaarheid voor het gemeenschappelijk maar ook verborgen gebedsleven van velen; verwondering over ons huis dat Aqua Viva heet, hoe het samenvloeien van een twintigtal jezuïeten met een heel verschillende achtergronden en meningen toch ‘levend water’ vormt. Ten tweede: Wat ontbreekt er volgens mij, waar liggen er uitdagingen? Bijvoorbeeld: delen we onze beleving niet te weinig met elkaar? Tenslotte: wat kan ik van hieruit zeggen over de toekomst van het huis en daarbij mensen bemoedigen? Bijvoorbeeld: komt er een nieuwe overste? Of een nieuwe ‘minister’ – een jezuïet die zich met de praktische organisatie in huis bezighoudt. Of: wij gaan weliswaar dit huis sluiten, maar op welke wijze gaan we dat doen? En dat ik dan de vraag stel: wat vinden jullie zo waardevol dat het op een of andere manier zou moeten kunnen voortleven? Zo sloten we de communiteit van Mechelen en toch was de slotviering een bemoedigende viering en blijft de opvang van minderjarige, niet begeleide vluchtelingen doorgaan én blijven er liturgische vieringen met een jezuïet, zij het op een andere plaats.
Soms leg ik in mijn gesprekken systematisch een thema voor. Bijvoorbeeld: wat betekent ‘apostolaat’ voor bejaarde jezuïeten in een verouderende maatschappij? Hoe zit het met onze liturgie? Wat doet de commotie rond seksueel misbruik door religieuzen met ons?
Voor mij is besturen op basis van zo’n memoriales een bron van fierheid over onze traditie. Maar die moet zich wel aanpassen aan nieuwe tijden, wat ook heel ignatiaans is. Zo breid ik tastend het gebruik van ‘het memoriale’ op twee wijzen uit: naar de vele lekenmedewerkers en naar het proces van gemeenschappelijke onderscheiding en concrete planning binnen het geheel van onze organisaties in Vlaanderen en Nederland.
Het memoriale is een manier waarop ieder zich gezien en gehoord mag voelen en zo de eigen, unieke verantwoordelijkheid kan vinden naargelang ieders draagkracht en vermogen.
In deze tijd zijn immers veel leken nauw verbonden met het leven van jezuïetencommuniteiten en ignatiaanse organisaties, bijvoorbeeld als directeur, bestuursvoorzitter, gedelegeerde van het onderwijs, leider van de onderhoudsploeg enzovoort. Daarbij besef ik de uitdaging dat je niet dezelfde openheid kan ‘eisen’ van een leek als van een medejezuïet waarbij de regionaal ondermeer ook in een werkgeverspositie staat. Zo sprak ik dit jaar met elk lid van ons bestuurshuis in Antwerpen: alle medewerkers van het economaat, maar ook de coördinator van het netwerk, de development officer, de communicatieverantwoordelijk. En nadien gaf ik bij een personeelslunch mijn ‘memoriale’. Ik benoemde het als een manier waarop ieder zich gezien en gehoord mag voelen en zo de eigen, unieke verantwoordelijkheid kan vinden naargelang ieders draagkracht en vermogen. Die onderlinge verbinding is belangrijk om ‘zwermintelligentie’ te ontwikkelen maar ook om zo weinig mogelijk mensen te overbelasten – belangrijk in tijden van burnout.
Wij ontwikkelen in onze regio een tweede, originele uitbreiding die een onderwerp op zich vormt: sinds 2021 gebruiken we het memoriale ook in processen van gemeenschappelijke onderscheiding binnen ons netwerk. Daarbij worden groepsgesprekken in een organisatie of tussen onze organisaties afgewisseld met telkens het memoriale van de regionaal waarin hij weergeeft wat hij ziet gebeuren in het geheel van het proces. Op basis van die stimulus gaat de groep opnieuw in gesprek om zo uiteindelijk tot een plan te komen. Zo wordt het memoriale een hulpmiddel om de uitwisseling reëler te maken tussen de gemeenschap, die adviseert, en de regionaal, die uiteindelijk beslist. Zo hoort het in tijden van synodaliteit.
Op deze manier probeer ik ‘als een huisvader te zijn, die uit zijn schat nieuw en oud tevoorschijn haalt.’ (Matteüs 13:52)
Foto door Damien TUPINIER via Unsplash
Marc Desmet SJ is regionale overste van de Vlaamse en Nederlandse jezuïeten. Hij studeerde filosofie aan het Centre Sèvres te Parijs, geneeskunde en theologie aan de K.U. Leuven.