Een maand na de retraite kreeg ik een brief. Een dame, die decennia geleden de deuren van de Kerk kwaad achter zich had dichtgeslagen, maar naar de retraite was meegetroond door een goedbedoelende vriendin, liet mij in haar kaarten kijken.
Ze worstelde met het geloof van haar ouders. En dat ze haar hadden ingepompt dat ze te allen tijde, koste wat kost, goed moest zijn. Ook al leverde dat zelden dankbaarheid of erkenning op. Later hoorde ze ook regelmatig dat ze moést vergeven. Maar dat kon ze niet.
Haar vraag hoe je moest bidden had ik beantwoord met Ignatius’ aansporing om met God te spreken als met een vriend. Daarmee was zij op weg gegaan. Maar de eerste moeilijkheid waar zij voor stond was: “Hoe spreek ik Hem aan?” Want geen van de aangeleerde woorden -God, Heer, Christus, Geest, Jezus, Vader, Verlosser, Schepper, Meester- sprak haar aan. Die stonden te ver van haar af. Of er kleefde te veel oud stof aan vast, te veel onaangename herinneringen. Ze moest dus -net als Mozes- eerst op zoek gaan naar de Naam die bij haar, bij hen, bij hun verbrokkelde, door puin doorspekte relatie paste. En na wat zoeken vond ze die: Dom, als afkorting van Dominus.
Die Naam begeesterde haar en zette haar in vuur en vlam
Die Naam paste bij haar, vond ze. Die Naam, als een brandend braambos, was eerbiedig genoeg maar toch niet beangstigend en ook nabij en teder genoeg maar niet al te familiair. Die Naam lichtte op, die Naam had betekenis. Die Naam begeesterde haar en zette haar in vuur en vlam. Er is een prachtig gedicht van de Schotse dichteres Carol Ann Duffy waarin zij beschrijft hoe de Naam van haar geliefde met alles rijmt: “I pray it into the night till its letters are light.”
Nu, met die eigen naam, kon ze Hem vragen: “Dom, zeg eens, hadden de mensen iets aan al wat je voor hen hebt gedaan? Was het ten minste nuttig voor hen, ook al waren ze jou niet dankbaar?” Door die vraag te kunnen stellen, kreeg zij een bevestigend antwoord. Maar daarbij ook: al de rest is ijdelheid, bijzaak, geruis, puin dat je afbrengt van jouw pad.
Wie trouw en eerlijk is met zichzelf, hoeveel pijn dat ook doet, vindt een naam, krijgt bevestiging en blijft leven
Ik hoorde de profeet Habakuk: “Kijk: de hooghartige kwijnt weg; de rechtvaardige echter blijft leven door zijn trouw.” (Hab 2,4) Eigenlijk kwijn je weg als je niet regelmatig met jezelf in het reine komt. Dat weegt op den duur te zwaar. Dan laat je je zelfs meetronen op retraite. Maar wie trouw en eerlijk is met zichzelf, hoeveel pijn dat ook doet, vindt een naam, krijgt bevestiging en blijft leven.
Foto door Joachim Schnürle via Unsplash