De kunsthistorische publicaties van Peter van Dael volgen elkaar in hoog tempo op: vorig jaar verscheen zijn boek over het verbeelde geloof in de vroegchristelijke tijd, middeleeuwen en renaissance, en nu is er een tweede deel over datzelfde geloof in de 16e-19e eeuw. Het tijdvak is veel korter, het boek echter twintig bladzijden langer, en dat is heel goed!
De titel van het boek is een mooie alliteratie: reformatie, revolutie, restauratie. De inhoud is navenant chronologisch geordend, met drie hoofdstukken over de protestantse en katholieke reformaties en vijf hoofdstukken over het tijdperk van revolutie en restauratie, dat de lange negentiende eeuw van de Franse Revolutie tot aan de Eerste Wereldoorlog omvat.
Binnen die chronologische ordening zijn er meerdere thematische hoofdstukken, gewijd aan kunststijlen (barok, Nazareners en Prerafaëlieten), kunstuitingen (19e-eeuwse sculptuur en schilderijen) en kunstcontexten (kerk en kunst). Het nadeel van deze methode is dat bepaalde zaken zoals het neoclassicisme vier keer terugkomen; het voordeel daarentegen dat men de ontwikkelingen in één bepaald genre makkelijker kan volgen, zeker in het laatste hoofdstuk dat de schilderkunst behandelt. Wie bijvoorbeeld dacht dat beeldcultuur en wereldfaam eigentijdse verschijnselen zijn, leert dat in de jaren 1880-1900 populaire schilderijen op wereldtournee gingen, zoals William Holman Hunt’s “Licht van de wereld”.
(tekst gaat door onder afbeelding)

De thematische rode draad door dit boek is het onderscheid dat Van Dael maakt tussen christelijke kunst, kerkelijke kunst en religieuze kunst. De meest heldere van die drie is de kerkelijke kunst, oftewel kunst gemaakt voor kerken, zoals de barokke kunst van Bernini in de Sint-Pieter of de neogotische kunst van Cuypers, Mengelberg en anderen in de Krijtberg (mooi dat die twee kerken als voorbeelden in één boek staan).
Christelijke kunst is vaak kerkelijk, maar gaat eigenlijk over alle kunst met een christelijke thematiek. Die komt ook buiten kerken voor en is niet noodzakelijk door gelovige kunstenaars gemaakt. Zij staat tegenover de profane kunst, in een tijd waarin het christendom niet meer de dominante culturele factor is die het in de middeleeuwen was.
De “Bekoring van Sint-Antonius” (1878) was niet meer dan een aanleiding om een mooie (blote) vrouw te schilderen
De eerste vraag is of die breuk niet al in de 13e eeuw moet worden gesitueerd. Mens en natuur werden toen een eigen thema in de kunst, te beginnen bij de Vlaamse primitieven en de Italiaanse renaissancekunstenaars. Een tweede vraag, pertinent voor de periode die dit boek bestrijkt, is of een christelijke thematiek wel voldoende is om van christelijke kunst te kunnen spreken. De decadente Belgische schilder Félicien Rops was er heel eerlijk over dat zijn “Bekoring van Sint-Antonius” (1878) niet meer dan een aanleiding was om een mooie (blote) vrouw te schilderen. En wie Titiaans “Maria Magdalena” uit 1540 ziet, met borsten die niet of nauwelijks door haar lange haren worden bedekt, mag vermoeden dat het ook hier om iets anders ging dan stichtelijkheid alleen.
(tekst gaat door onder afbeelding)

Wat is dan christelijke kunst? Van Gogh herkende die in de “Christus consolator” van de nu wat vergeten Ary Scheffer, Delacroix herkende die bepaald niet in de ‘heidense’ portretten van Jezus en Maria door Ingres, terwijl de theatrale jezuïetenbarok nogal contrasteert met de bijna protestantse soberheid die de eerste jezuïeten voor ogen stond. Als het inderdaad gaat om “het onzienlijke zichtbaar maken”, aldus Van Dael, dan zijn de beste werken misschien wel juist diegene waar de tijdgenoten geen raad mee wisten, zoals die van El Greco en Goya, die nog altijd bevreemden en beroeren.
De eerste deed dat met zijn naar God opvlammende figuren, de tweede door de mens zo raak mogelijk af te beelden in zijn stoffelijkheid. Het “realisme dat in functie staat van een metafysische wereldvisie” lijkt het meest te overtuigen als christelijke kunst. Is Caravaggio’s schilderij uit 1605-1606 van Maria en de kleine Jezus die samen de slang vertrappen niet letterlijk én figuurlijk veel ‘onthullender’ dan bijvoorbeeld John Everett Millais wat banale “Jezus in het huis van zijn ouders” (1850)?
Peter van Dael, Reformatie, revolutie, restauratie. Geloof verbeeld in de 16de-19de eeuw, Zutphen: Walburg Pers, 2025, 242 pp., € 24,99.
Afbeeldingen: Wikimedia