In deze zomerserie staan we stil bij onvervulde verlangens. De redactie beschrijft wat het zinnetje “Ik had zo graag gewild…’ bij hen oproept. Vandaag: Guido Dierickx sj die zijn nichtje waar het niet goed mee gaat uit het oog verliest. “Ik had zo graag afscheid van haar genomen om mijn achteloosheid in de voorgaande jaren enigszins goed te maken.”
Afscheid nemen van mensen die mij dierbaar waren, definitief afscheid nemen, daarin ben ik zelden geslaagd. Mijn vader is overleden terwijl ik een examen aflegde in Leuven, mijn moeder terwijl ik in Göteborg een congres bijwoonde over ik weet niet meer wat. In die gevallen was afscheid nemen een onmogelijkheid. In vele andere gevallen was mijn afwezigheid een symptoom van achteloosheid. Als ik toen maar…
Het lag voor een jongen niet voor de hand om met een meisje bevriend te raken
Onder ons, op de gelijkvloerse verdieping, woonden mijn oom en tante met hun dochtertje. Dat nichtje van mij was ongeveer even oud als ik en dus had ik een speelkameraadje bij de hand. We hebben veel achter elkaar aan gehold. We hebben veel verstoppertje gespeeld. We leenden elkaar onze boekjes uit. Maar echte vriendjes waren we niet. Want zij was een meisje, weet u wel. Ze kon touwtjespringen, ze kon piano spelen (“Für Elise”). Ze hield van breien en van andere meisjesdingen. Maar ze kon niet voetballen en wenste ook niet dat te kunnen. Het lag voor een jongen niet voor de hand om met een meisje bevriend te raken.
En toen werd ik achttien jaar en ging naar het noviciaat in het verre Drongen. Daar werden de contacten met mensen uit het voorafgaande leven niet aangemoedigd. Ik verloor mijn nichtje uit het gezicht. Ik vernam dat zij verpleegster was geworden, een goede verpleegster die les mocht geven aan aspirant-verpleegsters. Ze leek dus haar weg gevonden te hebben. Aanvankelijk toch. Want later leek haar leven een meer hobbelig verloop te kennen. Om één of andere reden is zij surveillante geworden op een jongenscollege waar zij erg werd gepest. Zij bleef actief in de parochie maar van meer gedurfde activiteiten heb ik niets opgevangen. Was zij getrouwd? In haar nabijheid werd zo nu en dan een Afrikaanse man opgemerkt die zich discreet op de achtergrond hield. Wie was hij?
Ik had zo graag afscheid van haar genomen om mijn achteloosheid in de voorgaande jaren enigszins goed te maken.
In die latere jaren had ik haar moeten opzoeken om tot een vriendschap te komen die zich vroeger niet had kunnen ontwikkelen. Ik kon gissen dat zij aan de steun van dergelijke vriendschap behoefte had. Maar ik heb de kans niet gegrepen. Nog later heb ik vernomen dat zij haar woning verkocht had en haar man, die Afrikaan, achterna was gereisd naar Mali. Daarna werd het nieuws nog schaarser totdat zij helemaal geen teken van leven meer gaf. Ten slotte kregen we een kort berichtje van haar man uit Mali. Ze had ginds nog diensten verleend in een katholieke parochie, was dement geworden en uiteindelijk overleden. Dat was bijzonder pijnlijk nieuws. Ik had zo graag afscheid van haar genomen om mijn achteloosheid in de voorgaande jaren enigszins goed te maken. Dat was nu onmogelijk geworden.
Ik had nog meer moeten doen terwijl ze nog onder ons was. Ik had haar moeten uitnodigen voor een lunch in de stad, voor een uitstapje naar zee, voor een recital in de grote concertzaal. Alles waarop zij, naar mijn gevoel, in haar kleine, stille leven recht zou hebben gehad. Maar dat alles heb ik niet gedaan en een kans daartoe zou ik niet meer krijgen. Had ik haar in Mali moeten gaan opzoeken? Het is waar: wij kunnen niet alle mensen schenken wat zij verdienen. Er is er maar Eén die dat kan. Maar deze wijsheid belet niet dat ik mijn achteloosheid blijf betreuren.
Foto door Declan Sun via Unsplash